RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/6353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.M. Prins), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: M. Alsemgeest). Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving op grond van de Ziektewet (ZW) per 26 april 2019 beëindigd. Bij besluit van 26 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat de ZW-uitkering niet per 26 april 2019 maar per 8 september 2019 wordt beëindigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus heeft er met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving vanaf 23 november 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gebaseerd op een dienstverband via DCG Uitzendbureau. Via dit uitzendbureau was hij werkzaam als schoonmaker bouw voor 40 uur per week. Eiser heeft zich vanuit de WW op 26 maart 2018 ziekgemeld met lichamelijke klachten, bestaande uit onder meer nek-, rug-, en knieklachten. Ook is sprake van psychische klachten. Aan hem is na deze ziekmelding een ZW-uitkering toegekend per 23 mei 2018. Eiser was ook via Intro Uitzendbureau B.V. werkzaam als afwashulp in het weekend. Dit dienstverband is per 25 maart 2018 beëindigd. 1.2 De eerstejaars ZW-beoordeling die na een periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden, heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluitvorming. 2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser (met de nieuwe geduide functies) per 7 augustus 2019 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Om die reden heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser, met inachtneming van een uitlooptermijn, per 8 september 2019 beëindigd. 3. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert hiertoe in beroep aan dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid, onvoldoende is gemotiveerd en niet voldoet aan de eisen van toetsbaarheid en reproduceerbaarheid. De medische beperkingen zijn te rooskleurig ingeschat en niet goed verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De beperkingen worden veroorzaakt door reumatische klachten aan voornamelijk knie en rug. Verder is er sprake van PTSS. Dit wordt nog verder onderzocht door de behandelend sector. Eiser acht de door de arbeidsdeskundige geduide functies niet geschikt voor hem omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. 4. De rechtbank overweegt het volgende. 4.1 Op grond van artikel 19aa van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde: a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 en b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. 4.2 Op grond van artikel 19ab van de ZW, voor zover hier van belang, wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, als bedoeld in artikel 19aa, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig- en een arbeidskundig onderzoek. 4.3 De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Het is aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. 4.4 Eiser is in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling op 25 februari 2019 zowel lichamelijk als psychisch onderzocht door arts [arts] . Deze arts heeft ook dossierstudie verricht en van zijn bevindingen op 25 februari 2019 een rapport opgemaakt. Zijn medisch oordeel is getoetst en akkoord bevonden door verzekeringsarts [verzekeringsarts] . Arts [arts] heeft de beperkingen die hij van toepassing vindt vastgelegd in de FML van 25 februari 2019. Preventief acht hij lichte beperkingen van toepassing in het kader van het persoonlijk en sociaal functioneren vanwege spanningsklachten. De fysieke beperkingen van eiser betreffen een aantal aanpassingen aan fysieke omgevingseisen, zoals het dragen van beschermende middelen en trillingsbelasting. Ook zijn diverse beperkingen vastgelegd in de rubrieken dynamisch handelen en statische houdingen. 4.5 Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.