RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7255 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Saakjan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M. Post). Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1982. Op 8 november 2019 heeft hij de voorliggende asielaanvraag ingediend. 2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hem uit het Europese Visa Informatiesysteem (EU-Vis) is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten eiser in het bezit hebben gesteld van een Schengenvisum. Dit visum was geldig van 4 november 2019 tot en met 16 november 2019 voor de duur van 13 dagen. Verweerder heeft daarom op 3 januari 2020 de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede dan wel vijfde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben niet binnen een termijn van twee maanden gereageerd, waardoor per 4 maart 2020 de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag is komen vast te staan op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening. In hetgeen eiser tijdens het aanmeldgehoor en de zienswijze heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding gezien om de aanvraag toch in behandeling te nemen. 3. Eiser is het daar niet mee eens. Op hetgeen hij tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd zal de rechtbank hieronder nader ingaan. 4. De rechtbank overweegt als volgt. 5. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang. 5.1. In artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 5.2. In artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming behandelen dat door een onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde criteria verantwoordelijk is. 5.3. In artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat geen overdracht plaatsvindt aan de lidstaat die als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, als ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor eisers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 5.4. In artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat als een verzoeker houder is van een geldig visum de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. 5.5. In artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van deze verordening, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. 5.6. Volgens het beleid, neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in onder meer de volgende situaties: er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 6. De rechtbank concludeert dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat Italië op grond van de Dublinverordening in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen voor de behandeling van het verzoek om internationale rechtsbescherming van eiser. In geschil is onder meer de vraag of sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Italië waardoor het op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening niet mogelijk is eiser over te dragen aan Italië, dan wel of verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aanleiding had moeten vinden om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel: algemeen 7. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst daarbij naar het rapport van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van januari 2020 ten aanzien van de situatie van asielzoekers, in het bijzonder Dublin-terugkeerders, in Italië. SFH/OSAR is van mening dat er talrijke systematische tekortkomingen zijn in het Italiaanse opvangsysteem voor asielzoekers en statushouders. In het bijzonder heeft eiser erop gewezen dat de toegang tot de (specialistische) gezondheidszorg voor Dublin-terugkeerders in Italië in de praktijk beperkt is. Daarbij merkt eiser op dat dit rapport is uitgebracht voor de uitbraak van het coronavirus, waar Italië hard door is getroffen. 7.1. De rechtbank overweegt dat Italië is aangesloten bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag). In Italië gelden eveneens de Terugkeerrichtlijn, Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn en de Opvangrichtlijn. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de gronden van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het EVRM of dat er sprake is van (andere) bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. 7.2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) geoordeeld dat de algemene omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem geen reden zijn om te concluderen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook in meer recente uitspraken heeft de Afdeling dit bevestigd (zie onder meer de uitspraken van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987). 7.3. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986), heeft betrokken dat uit het rapport van de SFH/OSAR van januari 2020 geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren komt dan al bekend was ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Anders dan eiser in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, is het rapport van januari 2020 inmiddels dus wel betrokken in de jurisprudentie van de Afdeling. 7.4. Ook eisers beroep op de volgens hem inmiddels wezenlijk gewijzigde situatie in Italië wegens het coronavirus slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat zij volledig en ex nunc moet toetsen of eiser door overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat eiser terecht aanvoert dat de aanwezigheid van het coronavirus in die toetsing als feit dient te worden betrokken. Het is voorts juist dat in de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 niet – kenbaar – is betrokken en gewogen of de coronacrisis gevolgen heeft voor de beschikbaarheid en de kwaliteit van de opvang en zorg in Italië voor Dublin-terugkeerders. Dat laat echter onverlet dat het nog steeds aan eiser is om zijn stelling dat de feitelijke opvangsituatie en de medische zorg in Italië door de coronacrisis dermate is gewijzigd, dat eiser door overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, te onderbouwen. Eiser is hierin niet geslaagd, nu uit niets volgt dat eiser bij terugkeer in Italië vanwege het coronavirus niet langer de benodigde zorg of opvang zal krijgen. De verwijzing naar de algemene beelden uit de media, waaruit volgens eiser volgt dat vooral de medische zorg door het coronavirus ernstig onder druk is komen te staan, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft daarmee namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze tijdelijke situatie ten tijde dat het coronavirus in Italië tot structurele wijzigingen in de opvang en medische zorg heeft geleid, die maken dat er nu een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling is op een situatie in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het betoog faalt. Interim measures 8. Eiser heeft aangevoerd dat hij nierfalen heeft. Daarvoor krijgt hij driemaal per week hemodialyse. Ter onderbouwing heeft hij zijn patiëntendossier en een brief van dr. [naam] , internist-nefroloog van 23 januari 2020 overgelegd. Tevens staat hij onder behandeling voor longproblematiek ten gevolge van tuberculose. Ook ervaart eiser psychische klachten. Symptomen hierbij zijn onder meer stress, vergeetachtigheid, slapeloosheid en piekeren. Verweerder heeft het voorgaande niet betwist. 9. Vanwege zijn medische situatie is eiser van mening dat hij kan worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, hierna: het Tarakhel-arrest). Daarom heeft eiser verzocht om aanhouding van het beroep gelet op de interim measures van het EHRM van 6 september 2019 (46595/19), van 16 september (48062/19), van 17 september 2019 (48397/19) en van 24 september 2019 (49569/19) in het kader van de opvang van bijzonder kwetsbare asielzoekers in de zin van het Tarakhel-arrest. Eiser heeft daarbij gewezen uitspraken van: rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 6 november 2019, NL19.23741, NL19.23742 NL19.23746, NL19.23774, NL19.23775 en NL19.23776; rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 15 november 2019, NL19.24297; rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 29 november 2019, NL19.28349 en NL19.28351; rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 2 december 2019, NL19.27208; 9.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen aanvullende garanties zijn vereist in de zin van het Tarakhel-arrest. Daar is namelijk voor vereist dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen in Italië. Eiser heeft onderbouwd dat hij ernstige medische problematiek heeft, maar niet dat hij geen zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen in Italië. Daarbij acht de rechtbank van belang dat reeds is gebleken dat ten opzichte van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij komt dat verweerder terecht betoogt dat hij met zijn ter zitting beschreven werkwijze heeft gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Momenteel is de overdracht van eiser vanwege het coronavirus tijdelijk feitelijk opgeschort, maar zodra dit beletsel is opgeheven, zal verweerder in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, informatie verzenden aan de Italiaanse autoriteiten over de bijzondere behoeften van eiser en zal hij de feitelijke overdracht opnieuw opschorten indien de Italiaanse autoriteiten hem informeren dat zij op dat moment niet aan deze behoeften kunnen voldoen. Gelet hierop zijn in het geval van eiser, anders dan voor de vreemdelingen in de zaak Tarakhel, geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig. 9.2. Ten overvloede wijst de rechtbank nog op de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986), waaruit blijkt dat er ten opzichte van Italië ook voor bijzonder kwetsbare personen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waardoor verweerder voor die kwetsbare personen geen extra eisen hoeft te stellen of individuele garanties moet verkrijgen als bedoeld in het arrest Tarakhel. Dat die situatie thans door het coronavirus anders is, heeft eiser – zoals hiervoor reeds overwogen – niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft aldus op goede gronden geen individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten gevraagd voor de overdracht van eiser aan Italië. Hieruit volgt ook dat het beroep niet wegens de interim measures aangehouden hoeft te worden. Daar komt bij dat de interim measures niet van een motivering zijn voorzien, wat naar het oordeel van de rechtbank betekent dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis dit zou kunnen zijn. De rechtbank verwijst ook hiervoor naar de genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020. Interstatelijk vertrouwensbeginsel: persoonlijk 10. Eiser is van mening dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Eiser heeft er voorts ook op gewezen dat hij als chronisch zieke long- en nierpatiënt behoort tot de algemeen bekende risicogroep van het coronavirus, hetgeen door verweerder op zitting is bevestigd. Omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.