REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/2835 en SGR 20/2836 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker tegen de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: J.A. van Loon). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: CSU Personeel B.V., te Uden (gemachtigde: D. van Groningen). Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2020 (primair besluit I) heeft verweerder de uitbetaling van de uitkering van verzoeker ingevolge de Ziektewet (Zw) met ingang van 3 juni 2019 geschorst. Bij besluit van 20 februari 2020 (primair besluit II) heeft verweerder de afhandeling van verzoekers ziekmelding per 3 juni 2019 opgeschort. Verzoeker heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om in afwachting van de beslissing op zijn bezwaren een voorlopige voorziening te treffen. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen De voorzieningenrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de bestuursrechter alleen een voorlopige voorziening treft, wanneer iemand daarbij een spoedeisend belang heeft. In een geval als dat van verzoeker kan dat zo zijn wanneer sprake is van een acute financiële noodsituatie welke het voor hem onevenredig bezwaarlijk zou maken dat hij de beslissing in de hoofdzaak (de bezwaarprocedure) af zou moeten wachten. De voorzieningenrechter benadrukt dat de jurisprudentie ten aanzien van het spoedeisend belang zeer strikt is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke acute financiële nood. Weliswaar heeft hij in zijn verzoekschrift aangegeven dat twee maanden na indienen van zijn verzoekschrift zijn geld op is en dat de betaling onvoorzien urgent van overlevingsbelang is, maar daarmee heeft hij niet aan de hand van objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat hij door de besluitvorming dusdanig in problemen is gekomen dat sprake is van acute financiële nood. Alleen dan kan door middel van een spoedprocedure het wettelijk uitgangspunt worden doorbroken dat bepaalt dat de bezwaarprocedure wordt afgewacht. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat verzoeker heeft aangegeven dat hij middels deze procedure juist alle mogelijkheden wenst te benutten om in de noodzakelijke middelen van het bestaan te voorzien. De voorzieningenrechter heeft begrip voor dit streven, maar dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter daarmee niet duidelijk is geworden waarom verzoeker, wanneer hij daadwerkelijk in bijstandbehoevende omstandigheden zal komen te verkeren, geen aanspraak kan doen op een uitkering op basis van de Participatiewet.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.