RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/888 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H. van der Heide-Boertien), en het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder (gemachtigde: J.A. Pieter). Procesverloop Bij besluit van 22 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering toegewezen en aan eiseres ingevolge de Participatiewet (de Pw) een bijstandsuitkering verstrekt met ingang van 6 maart 2018 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 19 december 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, in die zin dat het recht op bijstand van eiseres met terugwerkende kracht is getoetst over de periode van 9 mei 2017 tot 6 maart 2018. De aanvraag is over die periode evenwel alsnog afgewezen. Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, onder aanvulling van de motivering. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Naar aanleiding van door eiseres ter zitting overgelegde stukken is verweerder in de gelegenheid gesteld een nieuw besluit te nemen. Bij herzien besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het bestreden besluit I is herzien, in die zin dat aan eiseres over de periode van 9 mei 2017 tot 6 maart 2018 alsnog een bijstandsuitkering is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De inkomsten uit betaling woonlasten door de ex-echtgenoot van eiseres worden echter volledig verrekend, met een maximum van twintig procent. De betalingen (kinderalimentatie) door de ex-echtgenoot voor de zoon van eiseres worden ook volledig verrekend. Eiseres heeft bij brief van 18 november 2019 gereageerd op bestreden besluit II en haar beroep gehandhaafd. Vervolgens heeft de rechtbank op 16 december 2019 een brief met aanvullende stukken van verweerder ontvangen en op 30 december 2019 een brief van eiseres. Na toestemming van partijen om een nadere zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft zich op 21 april 2017 bij verweerder gemeld voor de aanvraag van een bijstandsuitkering. Op 9 mei 2017 heeft eiseres de aanvraag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een tweetal gesprekken plaatsgevonden tussen verweerder en eiseres, waarna eiseres op 13 juni 2017 haar aanvraag heeft ingetrokken. Zij heeft op dezelfde datum een schriftelijke verklaring afgelegd over de intrekking. 1.2. Op 6 maart 2018 heeft eiseres zich wederom gemeld bij verweerder voor de aanvraag van een bijstandsuitkering en op diezelfde dag de aanvraag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is verweerder een onderzoek gestart en heeft op 8 maart 2018 en op 28 maart 2018 een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Ook heeft in april 2018 een huisbezoek bij eiseres plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 22 mei 2018 en zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij primair besluit aan eiseres een bijstandsuitkering te verstrekken met ingang van 6 maart 2018. Verweerder heeft evenwel de door eiseres ontvangen bedragen van € 75,- in maart 2018 en € 50,- in april 2018 verrekend met haar recht op bijstand. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 1.3. Bij brief van 27 september 2018 heeft verweerder eiseres ervan in kennis gesteld dat naar aanleiding van het bezwaarschrift is besloten de aanvraag vanaf de eerste meldingsdatum, te weten 9 mei 2017, in behandeling te nemen. In de brief heeft verweerder vermeld welke gegevens eiseres daarvoor nog dient aan te leveren. Zo is gevraagd om bankafschriften van een Oranje Spaarrekening met nummer F 163-14290 vanaf 9 april 2017 en om verklaringen over bedragen die door de ex-echtgenoot voor eiseres zijn betaald. Eiseres heeft tot 11 oktober 2018 de tijd gekregen om de stukken aan te leveren. 2.1. Bij bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het recht op bijstand van eiseres met terugwerkende kracht alsnog getoetst over de periode van 9 mei 2017 tot 6 maart 2018. De aanvraag is evenwel afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Eiseres heeft namelijk nagelaten alle door verweerder opgevraagde gegevens aan te leveren. Wegens het ontbreken van gegevens heeft verweerder onvoldoende inzicht in de financiële situatie van eiseres en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij verweerschrift heeft verweerder de motivering aangevuld, in die zin dat concreet is gemaakt dat alleen de afschriften van de Oranje Spaarrekening nog ontbreken. 2.2. Na de zitting heeft verweerder bestreden besluit II genomen en daarin het bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit I herzien en aan eiseres over de periode van 9 mei 2017 tot 6 maart 2018 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres ter zitting de ontbrekende stukken heeft aangeleverd op grond waarvan verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering heeft kunnen vaststellen. De inkomsten van eiseres, dat wil zeggen de betalingen die door de ex-echtgenoot van eiseres zijn gedaan voor de woonlasten worden volledig verrekend, met een maximum van twintig procent. Ook de betalingen door de ex-echtgenoot voor de zoon, door verweerder aangeduid als kinderalimentatie, te weten een bedrag van in totaal € 2.245,- in de periode in geding, worden volledig verrekend. 3. Eiseres kan zich niet verenigen met de bestreden besluiten I en II. Zij betoogt in de kern dat verweerder ten onrechte bedragen die eiseres van haar ex-echtgenoot heeft ontvangen in mindering heeft gebracht op haar recht op bijstand. Eiseres erkent dat de bijdrage in de woonlasten verrekend kan worden, maar betwist dat zij kinderalimentatie heeft ontvangen. De ex-echtgenoot van eiseres ontving de kinderbijslag en het kindgebonden budget op zijn rekening, omdat hij nog stond ingeschreven op het adres van eiseres. De bedragen zijn overgemaakt in kleinere delen en daarbij werd vermeld ‘voor Rayan’. Bovendien is aan de ex-echtgenoot van eiseres geen alimentatieverplichting opgelegd. 4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 9 mei 2017 tot 22 mei 2018. 4.2. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II, nu verweerder met het bestreden besluit II niet geheel aan het beroep van eiseres is tegemoet gekomen. Verweerder heeft in bestreden besluit II aan eiseres alsnog met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toegekend. Daarmee is het belang van eiseres bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit I komen te vervallen. Dat belang is niet gelegen in het verkrijgen van een proceskostenveroordeling. Het beroep van eiseres tegen bestreden besluit I zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 4.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet een belanghebbende op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. 4.4. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 4.5. Ingevolge artikel 31, tweede lid, onder b en d, van de Pw worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen; d. de tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. 4.6. Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.