Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1840 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2020 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. T. Akbas), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. L. Catakli). Procesverloop Bij brief van 3 maart 2020 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 25 februari 2020, waarbij verweerder de aanvraag om bijstand van verzoekster heeft afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 3 maart 2020 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 27 maart 2020 heeft verweerder aan de rechtbank schriftelijk medegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken, de aanvraag opnieuw gaat beoordelen en aan verzoekster een voorschot van € 948,- heeft verstrekt. Naar aanleiding van dit schrijven heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Tevens heeft verzoeker verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen. Bij brief van 7 april 2020 is verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op laatstgenoemd verzoek. Verweerder heeft bij schrijven gedateerd 17 april 2020 laten weten het onredelijk te vinden als hij in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat de behandeling van de aanvraag ten tijde van het indienen van het verzoek nog niet was afgerond en er om de vier weken voorschotten worden verstrekt. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang gelezen met artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs dienden te worden gemaakt. 2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder door het besluit van 25 februari 2020 met het besluit van 4 maart 2020 in te trekken en de aanvraag opnieuw te beoordelen aan verzoekster tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om een veroordeling in de proceskosten zal daarom worden toegewezen. 3 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). 4 Verder bepaalt de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoekster vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank: - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoekster te vergoeden. Deze uitspraak is op 24 april 2020 gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.