Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/590843 / KG ZA 20-298 Vonnis in kort geding van 13 mei 2020 in de zaak van [eiser] , verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats] , eiser, advocaat mr. R.A. Kamphuis te Leiden, tegen: de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Veiligheid en Justitie, te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.L.A. Rijndorp te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 april 2020 tegen de pro forma zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 mei 2020 om 11.00 uur, met producties; - het e-mailbericht van de rechtbank van 10 april 2020 waarin aan partijen wordt medegedeeld dat – ondanks het feit dat is gedagvaard tegen 28 mei 2020 om 11.00 uur en niet, overeenkomstig het beleid van de rechtbank, tegen 29 mei 2020 om 11.00 uur – de verdere procedure vanwege de corona-crisis zoveel mogelijk schriftelijk zal verlopen en dat aan de Staat een termijn wordt gegund tot 17 april 2020 voor een conclusie van antwoord; - de conclusie van antwoord van 17 april 2020, met producties; - het e-mailbericht van de rechtbank van 20 april 2020 waarin aan partijen wordt medegedeeld dat [eiser] een termijn wordt gegund tot 22 april 2020 voor een conclusie van repliek, dat de Staat een termijn wordt gegund tot 28 april 2020 voor een conclusie van dupliek en dat in beginsel binnen veertien dagen daarna vonnis zal worden gewezen, tenzij de voorzieningenrechter nog een korte mondelinge behandeling op afstand wenst; - de conclusie van repliek van 22 april 2020, met producties; - de conclusie van dupliek van 28 april 2020; - het e-mailbericht van de rechtbank van 30 april 2020 waarin aan partijen wordt medegedeeld dat het vonnis in beginsel op 13 mei 2020 wordt uitgesproken. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 28 januari 2016 (hierna: het vonnis) veroordeeld voor oplichting. Aan hem is een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd. Daarbij is een aantal algemene en bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder de verplichting om mee te werken aan het toezicht van de reclassering. Daarnaast is de benadeelde partij, de Stichting Bestuur Wachtgelden, Huurverplichtingen en Verplichtingen ESF (hierna: SBWHV), niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding van € 516.342,59, omdat de civiele rechter in de rechtbank Noord-Nederland al heeft beslist over deze vordering en deze heeft toegewezen tot een bedrag van € 504.040,43. Om te bevorderen dat de door SBWHV geleden schade door [eiser] wordt vergoed, is aan [eiser] een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot een bedrag van € 333.551,24 (de door SBWHV gelegen schade van € 568.103,79 verminderd met het door [eiser] reeds terugbetaalde bedrag van € 234.552,55) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2015, bij niet betaling of verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. 2.2. [eiser] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft [eiser] in zijn arrest van 12 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. [eiser] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft [eiser] bij arrest van 30 mei 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is het vonnis onherroepelijk geworden. 2.3. Op 15 maart 2016 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB), aan wie de tenuitvoerlegging van het vonnis was overgedragen, [eiser] aangeschreven tot voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. [eiser] heeft op deze brief niet gereageerd. Op 29 april 2016 heeft het CJIB een eerste aanmaning verstuurd naar [eiser] en op 13 juni 2016 een tweede aanmaning. [eiser] heeft ook op deze brieven niet gereageerd. In augustus 2016 heeft het CJIB een dwangbevel uitgevaardigd tegen [eiser] . 2.4. In de periode september 2017 tot en met medio juni 2018 heeft [eiser] de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf ondergaan. In die periode heeft [eiser] met de deurwaarder een betalingsregeling met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel van € 12,50 per maand getroffen en op basis hiervan een totaalbedrag van € 187,50 betaald. Het CJIB heeft de betalingsregeling omstreeks maart 2019 ingetrokken. 2.5. Op 14 december 2017 heeft [eiser] een betalingsregeling getroffen met het CJIB voor drie sancties die aan hem in 2014 op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) zijn opgelegd. Deze regeling hield in dat [eiser] voor de duur van 36 maanden maandelijks een bedrag van € 25,58 zou betalen. Op 2 juni 2018 heeft het CJIB deze regeling afgebroken, omdat [eiser] slechts driemaal had betaald. 2.6. Op 20 maart 2019 heeft het CJIB aan [eiser] aangekondigd dat binnenkort een arrestatiebevel zou worden uitgevaardigd voor het executeren van de vervangende hechtenis. Op deze aankondiging is geen reactie van [eiser] gekomen. Het CJIB heeft daarop in april 2019 een arrestatiebevel voor [eiser] doen uitvaardigen. 2.7. Op 25 juli 2019 heeft [eiser] voor zestien Wahv-zaken uit de periode 2014-2019 een betalingsregeling getroffen met het CJIB. Op 4 oktober 2019 heeft het CJIB deze regeling beëindigd wegens het uitblijven van betalingen door [eiser] . 2.8. Op 22 augustus 2019 heeft de reclassering het parket van de officier van justitie Noord-Holland geadviseerd over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf. Als reden heeft de reclassering aangegeven dat [eiser] onvoldoende heeft meegewerkt aan de in het vonnis gestelde voorwaarden en dat hij niet begeleidbaar is omdat hij geen openheid van zaken geeft over zijn verblijfplaats, zijn dagbesteding en de wijze waarop hij in zijn onderhoud voorziet. 2.9. Op 24 november 2019 is [eiser] aangehouden en in hechtenis genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Sindsdien is hij gedetineerd. De einddatum van de detentie van [eiser] is voorzien op 23 november 2020. 2.10. Op 2 december 2019 heeft de advocaat van [eiser] aan het CJIB kenbaar gemaakt dat [eiser] niet in staat is om de schadevergoedingsmaatregel in één keer te betalen en dat hij een betalingsregeling wil treffen. Voorgesteld is dat [eiser] een eenmalig geldbedrag zou betalen en daarnaast maandelijks een bedrag van € 1.000 à € 1.500. Het CJIB heeft in reactie hierop aangegeven hiermee niet akkoord te gaan vanwege de executieverjaringstermijn en de omstandigheid dat volgens het vaste beleid van het CJIB vóór oktober 2020 geen nieuwe betalingsregeling zou kunnen worden afgesloten omdat een eerdere regeling met [eiser] was afgebroken. Desalniettemin was het CJIB bereid een betalingsregeling te treffen indien [eiser] een aanbetaling van € 20.000 zou doen en maandelijks een bedrag van € 1.000 zou betalen. [eiser] heeft vervolgens een aantal tegenvoorstellen gedaan, waaronder het voorstel om eenmalig een bedrag van € 4.000 te betalen en iedere maand een bedrag van € 1.500. Bij brief van 6 maart 2020 heeft het CJIB dit voorstel afgewezen. Ter toelichting heeft het CJIB aangegeven dat [eiser] in de periode dat de zaak bij het CJIB ligt slechts € 187,50 heeft betaald en zich onvindbaar heeft gemaakt voor het CJIB, de deurwaarder, de reclassering en de politie door zich jarenlang niet te hebben ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Volgens het CJIB is van enige medewerking van [eiser] in de afgelopen jaren niet gebleken, omdat zowel de deurwaarder als de reclassering heeft geconstateerd dat [eiser] geen inzicht geeft in zijn financiële positie, zijn verblijfplaats en hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet. Het CJIB heeft daarnaast aangegeven dat uit de door [eiser] overgelegde bankafschriften blijkt dat hij sinds in elk geval april 2019 over voldoende inkomsten beschikt, maar dat hij desondanks nooit redelijke betalingen aan het CJIB heeft gedaan. Bovendien mag het CJIB conform zijn betalingsregelingenreglement geen nieuwe betalingsregeling met [eiser] aangaan, omdat de met [eiser] eerder afgesproken betalingsregeling voor verkeersboetes in oktober 2019 wegens wanbetaling is verbroken. Het CJIB heeft zijn brief afgesloten met de opmerking dat hij bereid is om de zaak over een aantal maanden opnieuw te bekijken indien [eiser] de komende maanden zijn goede wil laat zien door het doen van betalingen. 2.11. [eiser] heeft, blijkens de inkomensverklaringen van de Belastingdienst van 1 april 2020, in de jaren 2015 en 2017 geen inkomsten genoten, in 2018 een bedrag van € 866 en in 2019 een bedrag van € 7.737. In de periode van april 2019 tot en met november 2019 is een totaalbedrag van € 22.040,12 bijgeschreven op de bankrekening (bij ABN Amro bank) van [eiser] . Hiervan is een bedrag van € 15.196,12 afkomstig van [de B.V.] Dit bedrag betreft de vergoedingen die [de B.V.] aan [eiser] heeft betaald voor werkzaamheden die hij in haar opdracht (als zelfstandige) heeft uitgevoerd. 2.12. In verband met de schadevergoedingsmaatregel staat – inclusief wettelijke rente – nog een bedrag van € 426.022,59 open. 3Het geschil 3.1. Na vermeerdering van eis vordert [eiser] – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen om uiterlijk binnen twee dagen na betekening van het vonnis de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank Noord-Holland opgelegde vervangende hechtenis te beëindigen, althans te schorsen teneinde [eiser] in staat te stellen een haalbare betalingsregeling te treffen. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer te leggen. Primair gaat de Staat met de executie van de vervangende hechtenis voorbij aan het ne bis in idem-beginsel, omdat [eiser] de door de rechtbank Noord-Holland opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en de vervangende hechtenis niet in de plaats komt van de verplichting tot betaling van de schadevergoeding. Subsidiair handelt de Staat in strijd met (het met ingang van 1 januari 2020 gewijzigde) artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), omdat [eiser] niet in staat is aan de betalingsverplichting te voldoen en zijn persoonlijke en financiële omstandigheden reden zouden moeten geven aan de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) om de vervangende hechtenis te beëindigen. Meer subsidiair schendt de Staat het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel indien de vervangende hechtenis blijft voortduren ondanks de betalingsonmacht van [eiser] , mede gelet op de kosten die voor de Staat aan de vervangende hechtenis zijn verbonden en de huidige maatschappelijke situatie rondom het coronavirus. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. Vooropgesteld wordt dat een onherroepelijke veroordelende beslissing van de strafrechter – waaronder begrepen een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, inclusief de executie van hechtenis bij het uitblijven van tijdige betaling of verhaal – niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Bij de tenuitvoerlegging moet op grond van artikel 561 lid 1 Sv bekwame spoed worden betracht. 4.2. De strafrechter heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan [eiser] op grond van artikel 36f (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarbij heeft de strafrechter tevens de vervangende hechtenis bepaald, waartoe hij ook gehouden was. De hoogte van de schadevergoedingsmaatregel is, overeenkomstig de wet, gebaseerd op de door SBWHV als benadeelde partij geleden schade, zonder daarbij rekening te houden met de draagkracht van [eiser] . Overigens kan onder omstandigheden het gebrek aan draagkracht voor de strafrechter wel reden zijn om af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel (vgl. HR 19 juni 2006, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788), maar daarvan kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. De verdachte zal daartoe dan wel voldoende onderbouwd het uitzonderlijk karakter van het geval moeten aantonen en de strafrechter moet vervolgens extra motiveren dat sprake is van een uitzonderlijke situatie (zie HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694). Dat is in de zaak van [eiser] niet gebeurd. Zoals door de Hoge Raad is overwogen kan uit de wetsgeschiedenis (met name Kamerstukken II 1991/92, 21.345, nr. 9, p. 5) niet anders worden afgeleid dan dat onder ogen is gezien en is aanvaard dat de vervangende hechtenis ten uitvoer kan worden gelegd indien betaling of verhaal uitblijft (vlg. HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6246 en HR 23 december 2008 ECLI:NL:HR:2008:BF5053). Daaraan doet niet af dat executie van de vervangende hechtenis in de situatie waarin geen sprake is van betalingsonwil, maar wel van betalingsonmacht (waaronder begrepen het onvermogen om het verschuldigde totaalbedrag binnen een redelijke termijn af te lossen), door de betrokkene zelf veelal ervaren zal worden als extra leedtoevoeging en onredelijk. Volgens vaste jurisprudentie is betalingsonmacht dan ook geen deugdelijke grond voor het afzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is (vlg. hof Den Haag 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2214). 4.3. Op 1 januari 2020 is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Wet USB) in werking getreden. Artikel 36f (oud) Sr is bij die wet gewijzigd. De rechter kan geen vervangende hechtenis meer opleggen maar bepaalt in plaats daarvan bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f lid 5 Sr de duur van de periode dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. In artikel 6:4:20 lid 3 Sv is neergelegd dat gijzeling niet zal worden toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te betalen. Met de inwerkingtreding van de Wet USB is dus voorzien in de mogelijkheid tot het achterwege laten van de gijzeling indien niet kan worden voldaan aan de betalingsverplichting. Nieuw is de bevoegdheid voor de minister om te allen tijde de gijzeling te beëindigen (artikel 6:4:20 lid 4 Sv). Artikel 6:4:1 lid 2 Sv geeft de minister de bevoegdheid om betaling van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr in termijnen toe te staan. De Wet USB heeft geen verandering gebracht in de executieplicht van de Staat voor onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. 4.4. In de Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen (hierna: de Beleidsregel) is bepaald dat de gijzeling of vervangende hechtenis op basis van een beoordeling door het CJIB voortijdig kan worden beëindigd indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Volgens de toelichting op de Beleidsregel (Stcrt. 2019, 69777, p. 25) valt daarbij te denken aan het treffen van een bevredigende betalingsregeling. In de memorie van toelichting op de Wet USB (Kamerstukken II 2014/15, 34.086, nr. 3, p. 95) wordt als voorbeeld genoemd de situatie dat tijdens de gijzeling blijkt dat de veroordeelde daadwerkelijk niet in staat is te betalen. 4.5. Het CJIB is de instantie die door het openbaar ministerie is belast met de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen. De wijze waarop het CJIB dit doet is neergelegd in de Aanwijzing executie (Stcrt. 2014, 37617, datum inwerkingtreding 1 januari 2015) (hierna: de Aanwijzing) en het door het CJIB geschreven beleidskader (gepubliceerd op www.cjib.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.