RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage MLJ / c Zaak-/rolnummer: 7588401 RL EXPL 19-5483 19 mei 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, hierna: “ [eiser] ”, gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar, tegen De Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zetelende te ‘s-Gravenhage, gedaagde, hierna: “de Staat”, gemachtigde: [gemachtigde] . 1De procedure 1.1 Op 19 november 2019 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, hierna “het tussenvonnis”. Voor het verloop van de procedure tot dat moment, de vaststaande feiten, de vordering en de standpunten van partijen verwijst de kantonrechter naar wat hierover in het tussenvonnis is overwogen en neemt dat over. Daarna heeft de kantonrechter nog kennis genomen van de volgende stukken: - het deskundigenbericht van 13 maart 2020; - de akte uitlaten deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] van 7 april 2020; - de akte uitlaten deskundigenbericht aan de zijde van de Staat van 7 april 2020. 1.2 Nadat partijen zich op 7 april 2020 hebben uitgelaten over het deskundigenrapport, is vonnis bepaald op vandaag. 2De verdere beoordeling Aansprakelijkheid 2.1 De Staat stelt dat hij op grond van - kort gezegd - de Begaclaimrechtspraak niet aansprakelijk kan worden gehouden op grond van onrechtmatige daad als gevolg van zijn strafvorderlijk optreden. 2.2 Het uitgangspunt in deze vaste rechtspraak is dat de Staat alleen aansprakelijk is voor schade als gevolg van het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen, zoals in dit geval het leggen van beslag, indien: - het dwangmiddel is toegepast in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Strafvordering, de zogenaamde a-grond; of - wanneer blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking, het zogeheten “gebleken onschuldcriterium”, de zogenaamde de b-grond. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. 2.3 Gelet op het geschetste verloop van de strafrechtelijke procedure en op grond van de hierbij overgelegde stukken, is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat [eiser] ten onrechte als verdachte is aangemerkt en/of dat anderszins bij de beslaglegging op de Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] , hierna “de auto” en de inhoud daarvan, in strijd is gehandeld met de daarvoor geldende wettelijke eisen, zodat niet is voldaan aan de a-grond. Dat achteraf de ontnemingsvordering van de OvJ in het vonnis van 21 juni 2018 is afgewezen, maakt dit voor wat betreft de toepassing van de a-grond niet anders. 2.4 Ten aanzien van de zogenaamde b-grond overweegt de kantonrechter als volgt. De Staat betoogt dat het zogenaamde gebleken onschuldcriterium uit de Begaclaim-rechtspraak restrictief moet worden uitgelegd en dat hiervan al geen sprake kan zijn, nu er geen sprake is van een integrale vrijspraak. Deze stelling gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet geheel op. Weliswaar is [eiser] veroordeeld tot twee geldboetes vanwege het voorhanden hebben van respectievelijk een ploertendoder en een busje traangas, maar het strafrechtelijk onderzoek zag op overtreding van de Opiumwet en diefstal van elektriciteit. De beslagen zijn gelegd vanwege deze strafbare feiten, met het oog op de ontneming van het wederrechtelijke voordeel dat [eiser] volgens de OvJ heeft gehad uit deze strafbare feiten. (Namelijk de vermoedelijke opbrengst van de hennepteelt en de niet betaalde energiekosten.) Het gelegde beslag houdt dus geen, althans onvoldoende verband met de aangetroffen ploertendoder en het busje traangas, die ook zijn ingenomen en vernietigd, maar juist met de verdenking waarvoor [eiser] wel is vrijgesproken. Desalniettemin kan gelet op de overwegingen van de strafrechter - die erop neerkomen dat duidelijk is dat [eiser] betrokken was bij het leegruimen van de hennepkwekerij, maar dat alleen de aard van de betrokkenheid van [eiser] daarbij niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld - ook niet worden volgehouden dat onomstotelijk is gebleken van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en/of justitie berustte, zodat gelet op de nu geldende rechtspraak, evenmin is voldaan aan de b-grond en het beslag niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. 2.5 Dat de beslaglegging niet onrechtmatig is, neemt echter niet weg dat de Staat ervoor heeft gekozen de auto en de inhoud daarvan reeds op 10 juli 2017, in een vroeg stadium van het strafrechtelijk onderzoek, te verkopen en vernietigen, ondanks het door [eiser] op 21 juni 2017 ingediende klaagschrift met betrekking tot het beslag en zelfs nog voor een beslissing op het klaagschrift was genomen. Hierdoor heeft de Staat bewust het risico genomen dat achteraf de ontnemingsvordering zou worden afgewezen, dan wel dat in een procedure als deze tot een aansprakelijkheid aan de zijde van de Staat geoordeeld zou worden. Het kan dan niet zo zijn dat het risico dat de inbeslaggenomen goederen ten onrechte zijn vernietigd of mogelijk voor een te lage waarde zijn verkocht wordt afgewenteld op [eiser] enkel omdat het beslag zelf niet onrechtmatig was gelegd. De Staat had er immers ook voor kunnen kiezen de auto en de inhoud daarvan in bewaring te houden tot er een onherroepelijk vonnis was in de strafzaak. 2.6 Het causaal verband tussen de gestelde schade en de voortijdige verkoop van de auto en vernietiging van de zich daarin bevindende goederen is daarmee gegeven en is ook niet betwist. De kantonrechter is van oordeel dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de auto en de inhoud daarvan te verkopen aan een derde en een deel van de inbeslaggenomen goederen te vernietigen voordat er onherroepelijk was beslist in de strafzaak. Schade 2.7 Uitgangspunt in de rechtspraak is dat in geval van vernietiging of algeheel verlies van een zaak, de vergoeding steeds ten minste het geldbedrag zal belopen waarin de waarde daarvan kan worden uitgedrukt, kortom de waarde die de zaak had in het economisch verkeer ten tijde van het verlies, zodat de kantonrechter hiervan in beginsel uit zal gaan bij het beoordelen van de hoogte van de schade, tenzij er redenen zijn hiervan af te wijken. 2.8 Daarnaast merkt de kantonrechter het volgende op. De OvJ is in het vonnis van 21 juni 2018 niet ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. De OvJ heeft in het vonnis van 21 juni 2018 berust. Ook indien de Staat niet aansprakelijk kan worden gehouden is in dat geval de Staat wel gehouden tot teruggave van de in beslag genomen goederen of - voor zover de in beslag genomen zaken deels zijn vernietigd en deels verloren zijn gegaan zoals hier het geval is - om de waarde daarvan te vergoeden aan [eiser] . Om die reden is de Staat ook al tot uitkering overgegaan van een bedrag van € 14.433,67. 2.9 Ten aanzien van de auto heeft de Staat aangevoerd dat zij slechts gehouden is om over te gaan tot uitbetaling van de prijs die de auto bij verkoop door de bewaarder heeft opgebracht. Hieraan ligt ten grondslag dat de auto is verkocht met een machtiging van de rechter-commissaris en in dat geval bepaalt artikel 119 lid 2 Sv dat als niet aan een last tot teruggave kan worden voldaan, moet worden overgegaan tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door de bewaarder heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht. 2.10 Nu de kantonrechter van oordeel is dat de Staat aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de voortijdige verkoop van de auto, zal de kantonrechter ook voor de begroting van de schade met betrekking tot de auto, uitgaan van de marktwaarde ten tijde van het beslag. Echter, ook als zou worden getoetst aan de norm wat de zaak op de veiling heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht, zoals bedoeld in artikel 119 lid 2 Sv, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de opbrengst van de veiling redelijk was. [eiser] heeft immers gemotiveerd gesteld dat er in de taxatie door DRZ geen rekening mee is gehouden dat sprake is van een speciale editie van de auto met veel (waardevermeerderende) extra opties. Inderdaad blijkt niet of er in de taxatie door DRZ rekening is gehouden met de mogelijkheid dat sprake was van een bijzondere editie van de auto of met de volgens [eiser] aanwezige bijzondere extra’s waardoor de taxatiewaarde hoger kan komen te liggen en door de Staat is betwist dat er sprake is van een bijzondere auto. De waarde waarop een auto wordt getaxeerd voor de veiling is echter wel van groot belang voor het genereren van een zo hoog mogelijke opbrengst, zodat ook bij het bepalen of de auto voor een redelijk bedrag is geveild, van belang is wat de marktwaarde was van de auto ten tijde van de inbeslagname. 2.11 Zoals in het tussenvonnis is overwogen en ter zitting is gebleken, ziet de discussie tussen [eiser] en de Staat feitelijk niet zozeer op de vraag van de aansprakelijkheid en de precieze grondslag voor vergoeding van de goederen die zijn vervreemd of vernietigd, maar op de hoogte van de door [eiser] gevorderde schade. Daarbij hield met name de waarde van de auto partijen verdeeld. De rechter zag gelet hierop en gelet op het bewijsaanbod van [eiser] aanleiding om de vraag welke waarde aan de auto moet worden toegekend voor te leggen aan een deskundige. Aangezien partijen geen overeenstemming bereikten over de te benoemen deskundige heeft de kantonrechter de heer G. Brinkhof van CED Mobility als deskundige benoemd, hierna “de deskundige”. In het tussenvonnis is de deskundige verzocht te beoordelen wat de waarde was van de auto ten tijde van de inbeslagname, waarbij ook aan de deskundige is verzocht in het bijzonder mee te wegen in welke staat deze auto was, welke extra opties er op deze auto waren en welke waarde daaraan kan worden toegedicht. 2.12 De kantonrechter zal eerst de bevindingen van de deskundige bespreken en de schadepost van de auto en daarna de kleinere schadeposten. Oordeel van de deskundige 2.13 De deskundige heeft in december 2019 en januari 2020 onderzoek gedaan en heeft partijen in de gelegenheid gesteld op zijn bevindingen te reageren. Daarna heeft de deskundige op 12 maart 2020 het deskundigenbericht uitgebracht. De deskundige heeft de auto gewaardeerd op € 13.750,00 inclusief BTW. Daarbij heeft de deskundige onder meer de stukken beoordeeld van de auto, zoals de beschikbare foto’s van het voertuig en het taxatierapport van DRZ, verkoopadvertenties geraadpleegd uit 2017 van vergelijkbare voertuigen en een wagenkaart van de fabrikant opgevraagd waaruit blijkt hoe het voertuig is afgeleverd vanaf nieuw. De deskundige komt op basis van het onderzoek uit op een verkoopvraagprijs van € 14.750,00 inclusief BTW en een marktwaarde in onbeschadigde staat van € 14.250,00 inclusief BTW. Deze waarde wordt vervolgens met een bedrag van € 500,00 naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 13.750,00 inclusief BTW vanwege roestschade aan het rechter voorscherm, roestschade aan de rand van de wieluitsparing, een ernstig beschadigde voorbumpergrille en een scheur of beschadiging naast de linker koplamp. 2.14 Partijen hebben ieder op het concept van het deskundigenbericht mogen reageren. [eiser] heeft daarbij kort gezegd aangevoerd dat de waarde te laag is vastgesteld, vanwege alle bijzondere opties en de zeer goede staat van de auto. Daarnaast heeft [eiser] aangegeven dat hij voor een vergelijkbare, vervangende auto (type R32) veel meer heeft moeten betalen, namelijk € 18.950, terwijl deze minder gewild is dan de auto. De deskundige zegt hierover onder meer: “ (…) Bij het vaststellen van de marktwaarde van het onderhavige voertuig is door mij rekening gehouden met alle gemonteerde opties en accessoires. De elektrisch verwarmde spiegels zijn samen met de stoel verstelling en verwarming op nagenoeg alle aangeboden voertuigen aanwezig. Hetzelfde geldt voor de lederen bekleding, nagenoeg alle voertuigen die zijn meegenomen in de weging zijn hiervan voorzien. De crème kleur is daadwerkelijk minder aangeboden, de kleur van de bekleding heeft echter géén directe invloed op de waarde. De uitgevoerde servicebeurten zijn ook meegenomen in de waardebepaling. (…)” 2.15 Uit dit commentaar leidt de kantonrechter af dat de deskundige zoals verzocht bij de waardebepaling rekening heeft gehouden met (eventueel) aanwezige bijzondere opties en de staat van onderhoud. Daarnaast geeft de deskundige aan dat onder meer vanwege de schades aan de auto hij niet onderschrijft dat sprake was van een “zéér bijzondere auto en zéér goede staat”. Verder geeft de deskundige aan dat kort gezegd, de vervangende auto van [eiser] niet één op één kan worden vergeleken met de auto. Zo gaat het om een voertuig met een ander bouwjaar, dat 2 jaar jonger is en minder kilometers op de teller heeft. 2.16 De Staat heeft naar aanleiding van het conceptrapport kort gezegd aangegeven dat de waarde van de auto lager is, omdat de deskundige niet (voldoende) rekening heeft gehouden met diverse andere beschadigingen aan de auto die in het taxatierapport van DRZ zijn genoemd, de Staat ziet op een aantal van de digitale foto’s wel krassen op de auto. Naar aanleiding daarvan heeft de deskundige de digitale foto’s opgevraagd en onderzocht, maar de deskundige heeft vervolgens aangegeven dat niet zeker is of sprake is van krassen of weerspiegeling van lichtbronnen of vervuiling op en van de lak. Op een paar kleine correcties na handhaaft de deskundige de conclusie dat de marktwaarde van het voertuig ten tijde van de inbeslagname kan worden vastgesteld op € 13.750,00. 2.17 Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte op het deskundigenbericht te reageren. De standpunten in de akten komen op hetzelfde neer als de opmerkingen die zij al eerder naar aanleiding van het conceptrapport naar voren hebben gebracht. Daarnaast stelt de Staat dat er sprake is van een significant verschil tussen de waarde die is vastgesteld door de deskundige en de waarde zoals vastgesteld door DRZ en de opbrengst op de veiling. Volgens de Staat moet echter nog steeds grote(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.