← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:5453

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL20.4537 en NL20.4538 uitspraak van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres 1] (moeder) en [eiseres 2] (dochter), eiseressen V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiseressen hebben op 4 april 2019 elk afzonderlijk een opvolgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 29 januari 2020 hebben eiseressen verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder nog niet op hun asielaanvragen heeft beslist. Op 19 februari 2020 hebben eiseressen beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op hun asielaanvragen. Overwegingen

  1. Eiseressen hebben op 4 april 2019 elk afzonderlijk een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dient verweerder binnen zes maanden na ontvangst van de asielaanvraag te beslissen.
  2. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn op de asielaanvragen van eiseressen heeft beslist. Bij brief van 20 februari 2020 heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd of de beslistermijn is overschreden, wat daarvoor de reden is en binnen welke termijn de beslissing is te verwachten. Verweerder heeft op 1 april 2020 daarop gereageerd. In die brief heeft verweerder verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, in ieder geval totdat duidelijk is of de maatregelen als bedoeld in de Kamerbrief van 15 maart 2020 ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus, per 6 april 2020 zullen eindigen, dan wel dienen te worden voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit onverlet dat verweerder in gebreke is tijdig een beslissing op de asielaanvragen van eiseressen te nemen. Nu eiseressen verweerder in gebreke hebben gesteld en verweerder tot op heden geen beslissing op hun asielaanvragen heeft genomen, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren.
  3. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken een besluit te nemen op de aanvragen van eiseressen. Met toepassing van artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de rechtbank echter, mede gelet op de invloed die de problemen rondom het coronavirus hebben op de hoor- en besliscapaciteit bij verweerder, aanleiding om een nadere beslistermijn vast te stellen. De asielaanvragen van eiseressen zijn naar de verlengde asielprocedure verwezen op 9 september 2019, na de gehoren opvolgende aanvraag. Uit de dossiers blijkt dat er tot op heden geen voornemen is uitgebracht. Ervan uitgaande dat een voornemen wordt uitgebracht, kunnen eiseressen daarop binnen vier weken een zienswijze indienen. De rechtbank gaat er verder vanuit dat daarna binnen enkele weken een besluit kan worden genomen op de aanvragen. Gelet daarop zal de rechtbank een beslistermijn van acht weken stellen vanaf de dag van verzending van deze uitspraak, op straffe van de na te melden dwangsom.
  4. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 7.500,-. Deze dwangsom geldt voor eiseressen gezamenlijk. Weliswaar moet verweerder voor ieder van hen afzonderlijk beslissen op de aanvragen, maar deze te nemen beslissingen hangen inhoudelijk dusdanig met elkaar samen dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat verweerder één dwangsom verbeurt voor eiseressen gezamenlijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3934).
  5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiseressen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is gedaan op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.