← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:5925

RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaak-/rekestnr.: C/09/594404 / FA RK 20-3782 Datum beschikking: 18 juni 2020 Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling Beschikking naar aanleiding van het op 15 juni 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van: [de vrouw] hierna te noemen: cliënt, geboren op [geboortedag] 1950 te [geboorteplaats] , formeel ingeschreven te [woonplaats] feitelijk verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats 1] , advocaat: mr. G.E.M. Later te Den Haag. Procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni

  1. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: - de beschikking van de burgemeester van de gemeente Den Haag van 12 juni 2020; - de op 12 juni 2020 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige [arts] , die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was; - een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 21 april
  2. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 juni
  3. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen gelijktijdig telefonisch gehoord door de rechtbank omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de geldende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het coronavirus niet mogelijk was: - de cliënt, - de advocaat, - de [arts in opleiding tot specialist] - de [dochter van cliënt] De rechtbank heeft vastgesteld dat cliënt niet in staat en/of niet bereid was zich inhoudelijk te doen horen. De arts heeft getracht cliënt de telefoon te geven voor het telefonisch gesprek met de rechtbank. Cliënt reageerde daarop niet begrijpelijk. Standpunten ter zitting De advocaat heeft afwijzing van het verzoek bepleit. De inbewaringstelling is door de burgemeester van Den Haag afgegeven terwijl deze had moeten worden afgegeven door de burgemeester van de plaats waar cliënt zich toen bevond en dat was [verblijfplaats 1] . Er is sprake van een ongeldige inbewaringstelling die niet kan worden voortgezet, aldus begrijpt de rechtbank het verweer van de advocaat. De arts heeft verklaard dat Parnassia de inbewaringstelling voor cliënt heeft geregeld. Dat een andere burgemeester de inbewaringstelling had moeten afgeven is haar niet bekend. Ten aanzien van de psychische toestand van cliënt heeft de arts verklaard dat cliënt niet reageert op vragen en dat zij zo verward en onrustig is, dat het stellen van vragen aan haar niet mogelijk is. De arts deelt de rechtbank mee dat de rechtbank op de speaker van de telefoon staat maar dat cliënt daar niet op reageert. Cliënt is vrijwillig opgenomen maar wil nu terug naar huis en heeft zich tegen haar verblijf in de verpleeginrichting verzet. Cliënt zocht in de verpleeginrichting naar de uitgang. Daarom is een inbewaringstelling aangevraagd. Cliënt heeft één-op-één begeleiding op de afdeling. Dit is ook voor de rust van andere patiënten. De advocaat heeft afgelopen zaterdag getracht met cliënt te spreken, maar dat leverde volgens de advocaat ook niks op. De dochter vindt cliënt een gevaar voor zichzelf en voor anderen, een verpleeghuis is echt nodig. De dochter begrijpt dat het de bedoeling is dat haar moeder binnenkort wordt overgeplaatst van [verblijfplaats 1] naar [verblijfplaats 2] . Naar de rechtbank begrijpt schat geen van de ter telefonische zitting gehoorde personen in dat de gedesoriënteerde cliënt nu daadwerkelijk zelfstandig in staat zal zijn het verpleeghuis in [verblijfplaats 1] te verlaten en zal de arts zo spoedig mogelijk alsnog een geldige nieuwe inbewaringstelling doen aanvragen van de wel bevoegde burgemeester van [verblijfplaats 1] . Beoordeling De rechtbank stelt vast dat de burgemeester van de gemeente Den Haag ten behoeve van cliënt op 12 juni 2020 een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven. Op grond van artikel 29 lid 1 van de Wet Zorg en Dwang dient de burgemeester van de gemeente waarin cliënt zich op dat moment feitelijk bevindt, de inbewaringstelling af te geven. In dit geval verbleef cliënt in [verblijfplaats 1] en zou de burgemeester van de gemeente [verblijfplaats 1] derhalve de inbewaringstelling hebben moeten afgegeven. Nu dit niet is gebeurd, heeft een onbevoegde burgemeester een nietige inbewaringstelling afgegeven. De advocaat heeft daar een formeel en terecht verweer tegen gevoerd. Mede gelet op de hiervoor beschreven kennelijke toestand van cliënt en op de insteek van de arts van het verpleeghuis om zo spoedig mogelijk alsnog een wel geldige inbewaringstelling door de daartoe bevoegde burgemeester te doen regelen, leidt dit ertoe dat dit verzoek in dit specifieke geval zal worden afgewezen. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. H. Wien, rechter, bijgestaan door A.E. Babulall-Balkaran als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juni
  4. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 juni
  5. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.