RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/6936 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: A.M. Snijders). Procesverloop Bij besluit van 13 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 31 januari 2019 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de gedingstukken ingestuurd en een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep ter zitting was voorzien op 21 april 2020. Vanwege de uitbraak van het coronavirus is deze zitting niet doorgegaan. Partijen hebben de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven om deze beroepszaak schriftelijk, op grond van de stukken af te doen. Van de kant van eiser is bij brief van 30 maart 2020 een nadere toelichting op de beroepsgronden gegeven. Hierop heeft verweerder bij brief van 16 april 2020 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen Feiten 1. Eiser, oorspronkelijk van beroep lasser, was laatstelijk werkzaam als opleider metaalbewerken en lassen voor 40 uur per week. Op 13 september 2017 is hij wegens ziekte uitgevallen voor dit werk. In verband daarmee is hem toen een uitkering op grond van de ZW toegekend. In het kader van de zogeheten medische eerstejaars Ziektewetbeoordeling is eiser op 21 augustus 2018 gezien door de verzekeringsarts G. Karatas, die de actuele belastbaarheid van eiser heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Aan de hand van die FML heeft de arbeidsdeskundige O. Christen de arbeidsmogelijkheden van eiser beoordeeld. Daarbij zijn voor eiser enkele functies geselecteerd waarmee hij meer dan 65% kon verdienen van het maatmanloon (dat is het loon in de functie die eiser verrichtte toen hij ziek werd). Deze beoordeling leidde tot het besluit van 11 september 2018 waarbij de ZW-uitkering per 13 oktober 2018 is gestopt. Tegen dat besluit heeft eiser destijds geen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft eiser zich op 31 januari 2019 opnieuw ziekgemeld. Op dat moment had hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Naar aanleiding van die (nieuwe) ziekmelding heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Dat onderzoek heeft geleid tot de onder “procesverloop” genoemde besluitvorming. Het bestreden besluit 2. Verweerder is van mening dat eiser op de in geding zijnde datum (31 januari 2019) in staat moest worden geacht om ‘zijn arbeid’ te verrichten. Onder ‘zijn arbeid’ verstaat verweerder in dit verband één van de voorbeeldfuncties die aan eiser zijn voorgehouden (geduid) in het kader van de eerstejaars-Ziektewetbeoordeling op 11 september 2018. Standpunt eiser 3. Eiser is het met dit besluit niet eens en heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat verweerder zijn lichamelijke conditie onjuist, en op basis van onvolledige informatie, heeft beoordeeld. Daarbij wijst eiser op zijn hand, pols- en elleboogklachten. Ook kampt hij als gevolg van een ongeval in 2016 met ernstige rugklachten, die maken dat hij de geduide voorbeeldfuncties niet kan verrichten. Verder wijst eiser er op dat zijn psychische klachten de laatste tijd weer zijn verergerd, hetgeen heeft geleid tot een verhoging van zijn medicatie. In de nadere aanvulling op het beroep heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat verweerder in de beslissing van 13 mei 2019 ten onrechte met terugwerkende kracht het al dan niet ziek zijn per 31 januari 2019 heeft beoordeeld. Verder is de gemachtigde van mening dat verweerder de medische informatie in het dossier onjuist heeft beoordeeld. Daarbij is er met name op gewezen dat eiser zich op 6 februari 2019 onder behandeling heeft gesteld van een GZ-psycholoog vanwege angst- en stemmingsklachten, druk op de borst, hartkloppingen en tintelingen in de arm. Volgens eiser behoeft de FML van augustus 2018 wel degelijk op verschillende onderdelen aanpassing, en is de geschiktheid van eiser voor de als passend geduide functies onjuist beoordeeld. Het geschil 4. In beroep gaat het om de vraag of de medische situatie van eiser over wat hij wel en niet kan op de in geding zijnde datum, 31 januari 2019, toen eiser zich opnieuw ziek meldde, juist is ingeschat. Verweerder moest die vraag beantwoorden door de actuele medische situatie van eiser te bekijken, en die vervolgens af te zetten tegen de voorbeeldfuncties die kort daarvoor, in het najaar van 2018, met eiser waren besproken, zoals de functie van meteropnemer. Beoordeling door de rechtbank 5.1. De rechtbank stelt voorop dat het nu niet gaat om de juistheid van de recent uitgevoerde eerstejaars Ziektewetbeoordeling. Die beoordeling staat vast omdat eiser daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Voor zover eiser nu stelt dat de toen opgestelde FML onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, kan dat bezwaar geen doel treffen. Het uitgangspunt is namelijk dat beslissingen die niet zijn aangevochten voor juist worden gehouden, tenzij er hele duidelijke aanwijzingen zijn dat de beoordeling die destijds heeft plaatsgevonden, apert onjuist is. Zulke aanwijzingen zijn er in deze zaak niet. 5.2. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat verweerder de rapporten van de verzekeringsartsen mag volgen als aan drie voorwaarden is voldaan. De rapporten moeten zorgvuldig zijn opgesteld, ze mogen niet tegenstrijdig zijn en ze moeten begrijpelijk zijn. Het is echter aan eiser om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. De vraag is dus of de rapporten van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] van 13 mei 2019 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.