← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:7092

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/586591 / HA ZA 20-55 Vonnis van 1 juli 2020 in de zaak van VISITATIE COMMISSIE PENSIOENFONDSEN B.V. te Tilburg, eiseres, advocaat mr. B.F.M. Evers te Tilburg, tegen [gedaagde] mede handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde] te [plaats] , gedaagde, advocaat mr. R. Stekelenburg te Kerkwijk. Partijen zullen hierna VCP en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 april 2020; de akte wijziging of concretisering van eis van de zijde van VCP; de antwoordakte van [gedaagde] . 1.
  2. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op heden. 2De verdere beoordeling 2.
  3. In deze zaak heeft [gedaagde] uitsluitend tijdig voor antwoord gediend op de door hem als incident opgevatte exhibitievordering. Daarom heeft de rolrechter voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak akte niet-dienen verleend. 2.
  4. In het tussenvonnis van 8 april 2020 is overwogen dat de andere vorderingen van VCP als onweersproken worden toegewezen, voor zover de stellingen van VCP deze vorderingen kunnen dragen. Aldus is in dat vonnis geoordeeld dat VCP aanspraak heeft op de vergoeding zoals neergelegd in artikel 5.3 van de overeenkomst van partijen, evenals op contractuele boete op grond van artikel 6 van die overeenkomst. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor akte wijziging ofwel concretisering van eis ten aanzien van de gevorderde vergoeding op grond van artikel 5.3 van overeenkomst van partijen. 2.
  5. In de akte die VCP vervolgens heeft genomen, heeft zij haar vorderingen gehandhaafd en geconcretiseerd. 2.
  6. In zijn antwoordakte heeft [gedaagde] mede betoogd dat de rechtbank kan en dient terug te komen op de beslissing akte niet-dienen tegen hem te verlenen voor de conclusie van antwoord in hoofdzaak. Voorts zijn in die akte meerdere inhoudelijke verweren opgenomen. [gedaagde] heeft zich onder meer verweerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring en de rechtbank gevraagd om de contractuele boete te matigen. 2.
  7. De rechtbank overweegt dat de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen is aan te merken als een bindende eindbeslissing. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. In deze zaak speelt echter de bijzondere omstandigheid dat VCP een zeer hoog bedrag aan contractuele boete vordert, van een natuurlijke persoon. Naast de eenmalige contractuele boete van € 5.000 vordert VCO van [gedaagde] een dagelijks met € 500 oplopende boete. In deze situatie slaagt een beroep op matiging van een contractuele boete veelvuldig. De verweren van [gedaagde] betreffen onderwerpen die niet ambtshalve kunnen worden afgedaan door de rechtbank. 2.
  8. Op grond van een afweging van de aard van de fout die tot het niet antwoorden in de hoofdzaak heeft geleid en alle betrokken belangen en omstandigheden, acht de rechtbank het onaanvaardbaar om het beroep van [gedaagde] op matiging van de contractuele boete en zijn verweer tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wat betreft die boete, als tardief buiten beschouwing te laten. Daarom zal de rechtbank uitsluitend deze verweren van [gedaagde] bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank geeft hierbij analogische toepassing aan ECLI:NL:1998:ZC2640, RvdW 1998, 98 en ECLI:NL:HR:2015:
  9. 2.
  10. VCP heeft nog niet op deze twee verweren van [gedaagde] kunnen reageren. Daarom wordt de zaak verwezen naar de rol van twee weken na heden, om VCP daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Daarna wordt wederom een datum voor vonnis bepaald. 2.
  11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De rechtbank: 3.
  12. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 juli 2020 voor akte uitlating VCP over (i) het verweer van [gedaagde] dat hier grond is voor matiging van de contractuele boete en (ii) het verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad; 3.
  13. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 1 juli
  14. type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.