Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/596263 / KG ZA 20-671 Vonnis in kort geding van 27 juli 2020 in de zaak van [eiseres] , verblijvende in de penitentiaire inrichting [inrichting] , locatie [locatie] , eiseres, advocaat mr. P. Salim te Amsterdam, tegen: De Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.L.A. Rijndorp te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord; - de door de Staat overgelegde producties; - de op 23 juli 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiseres] pleitnotities en een akte houdende een wijziging van eis zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnis van 7 februari 2018 is [eiseres] door de rechtbank Rotterdam bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden voor het meermaals plegen van valsheid in geschrifte. Het Gerechtshof Den Haag heeft [eiseres] bij arrest van 22 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. De Hoge Raad heeft [eiseres] bij arrest van 17 maart 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het door ingestelde cassatieberoep. De veroordeling is op die datum onherroepelijk geworden. 2.2. [eiseres] is op 16 juli 2020 aangehouden voor het ondergaan van voormelde gevangenisstraf. Zij is sindsdien gedetineerd. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven: de Staat te gebieden om [eiseres] (alsnog) de status van zelfmelder als bedoeld in bijlage 1 Beleidsregels OM met betrekking tot het zelfmeldbeleid toe te kennen en om [eiseres] onmiddellijk in vrijheid te stellen en haar in de gelegenheid te stellen (alsnog) de zelfmeldprocedure te volgen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Het nieuwe zelfmeldbeleid kent een persoonsgerichte aanpak. Die aanpak staat centraal bij de belangenafweging die moet worden gemaakt. Indien acht wordt geslagen op de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] , had aan haar in redelijkheid niet de status van zelfmelder onthouden kunnen worden. Er is geen sprake van contra-indicaties hiervoor. [eiseres] had er een groot belang bij om haar detentie goed voor te kunnen bereiden, waarvoor het zelfmeldbeleid is bedoeld. Dit is haar ten onrechte onthouden. Zij heeft er nog steeds belang bij om diverse zorgtaken voor haar kinderen en haar moeder vanuit de thuissituatie goed te kunnen overdragen. Ook wil zij haar werk goed kunnen afsluiten om daarmee haar kans te vergroten om daar na haar detentie terug te mogen keren. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het voor een veroordeelde van groot belang kan zijn om de status van zelfmelder te krijgen. Indien de veroordeelde die status niet krijgt, heeft dat immers tot gevolg dat hij of zij op een onverwacht en veelal ongelegen moment door de politie wordt aangehouden om de straf uit te zitten. Daarbij bestaat het risico dat gezinsleden en derden daarmee worden geconfronteerd en dat de veroordeelde geen gelegenheid heeft gehad thuis en/of op het werk orde op zaken te stellen ter voorbereiding van de periode waarin hij of zij in detentie zal zitten. 4.2. Er kan aanleiding zijn om veroordeelden niet voor het zelfmeldbeleid in aanmerking te laten komen. In artikel 2.1 lid 1 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen worden situaties genoemd waarin een veroordeelde in ieder geval niet wordt opgeroepen. Dergelijke situaties doen zich hier niet voor. 4.3. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt bij de afweging om een veroordeelde op te roepen in ieder geval betrokken: a. de aard en de ernst van de vrijheidsbenemende sanctie, alsmede de aanleiding om de tenuitvoerlegging daarvan aan te vangen of te vervolgen; b. de mate waarin de rechtsorde is geschokt vanwege het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling; c. de psychische gesteldheid van de veroordeelde en daaruit voortvloeiende veiligheidsrisico’s; d. de omstandigheid dat de veroordeelde geen gevolg heeft gegeven aan een eerdere oproep om zich te melden bij de inrichting; e. de omstandigheid dat de veroordeelde eerder niet heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie; f. de omstandigheid dat de veroordeelde de vrijheidsbenemende sanctie als jeugdige is opgelegd. 4.4. De Minister (die vanaf 1 januari 2020 formeel beslist over zelfmelderschap) heeft een ruime beleidsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook bij de beslissing om iemand al dan niet als zelfmelder aan te merken. De voorzieningenrechter kan dergelijke beslissingen in kort geding dan ook slechts marginaal toetsen. Dit betekent dat zal moeten worden beoordeeld of de Minister (lees: het CJIB) in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de zelfmeldstatus niet toe te kennen aan [eiseres] . 4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CJIB in dit geval in redelijkheid niet daartoe heeft kunnen komen. Daartoe is het volgende redengevend. 4.6. De onder 4.3 vermelde feiten en omstandigheden gelden als (contra-)indicaties die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of een veroordeelde in aanmerking komt voor de zelfmeldstatus. De Staat is in deze procedure alleen ingegaan op de onder a genoemde contra-indicatie. Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat de overige feiten en omstandigheden geen contra-indicatie vormen. Volgens de Staat volgt reeds uit de strafbare feiten waarvoor [eiseres] is veroordeeld dat sprake is van een veroordeling van bijzondere aard en ernst. De Staat wijst in dit verband op de inhoud van de strafbare feiten (het meermaals plegen van valsheid in geschrifte, waardoor [eiseres] ten onrechte kinderopvangtoeslag heeft ontvangen terwijl zij daar geen recht op had), op de duur van de strafbare feiten (vijf jaar), op het aanzienlijke voordeel dat zij daarmee moet hebben behaald (omdat zij meerdere (minderjarige) kinderen heeft) ten nadele van publieke middelen, en op de duur van de opgelegde gevangenisstraf (tien maanden). 4.7. Waarom nu juist deze feiten en deze veroordeling – afgezet tegen andere (ernstige) misdrijven en veroordelingen – van een zodanige aard en ernst zijn dat dit in de weg staat aan het volgen van de zelfmeldprocedure, heeft de Staat echter op geen enkele wijze toegelicht. Dat had naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van de Staat gelegen. Anders dan de Staat heeft betoogd, ligt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet reeds bij beschouwing van de strafbare feiten en de veroordeling voor de hand. 4.8. Daarbij komt dat er, mede gelet op de persoonsgerichte aanpak die centraal staat bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, ook nog ruimte is voor een nadere belangenafweging. Bij deze belangenafweging omtrent het wel of niet oproepen van de veroordeelde dienen ingevolge artikel 6:1:3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de veiligheid van de samenleving, de belangen van slachtoffers en nabestaanden, alsmede de resocialisatie van de veroordeelde te worden betrokken. 4.9. De Staat heeft ter zitting slechts gesteld dat iedere zaak afzonderlijk wordt beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval en dat moet worden aangenomen dat hier op zeer prudente wijze mee wordt omgegaan. Uit niets is echter gebleken dat de Staat bij de behandeling van deze zaak aandacht heeft besteed aan de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] . 4.10. De veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers staan bij [eiseres] niet aan de status van zelfmelder in de weg. De Staat heeft daarover althans niets naar voren gebracht. Dan resteert het aspect van de resocialisatie van [eiseres] . Het had in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter met name op de weg van de Staat gelegen om daarop in te gaan. [eiseres] heeft immers gewezen op het belang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.