Rechtbank DEN HAAG Team Familie Zaaksgegevens: C/09/596072 / JE RK 20-1694 Datum uitspraak: 30 juli 2020 Beschikking van de kinderrechter Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak naar aanleiding van het op 15 juli 2020 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,hierna: de Raad, betreffende: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] , Italië, hierna te noemen: [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats] , Italië, hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de man] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. C.C. Peterse te Den Haag. De kinderrechter merkt als informanten aan: Stichting Jeugdbescherming west, Regio Zuid-Holland Noord,de gecertificeerde instelling,hierna te noemen: Jbw, en [de vrouw] , de huidige partner van de vader, hierna te noemen: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] . Het procesverloop De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van 15 juli 2020, met onderliggend raadsrapport; de brief van 16 juli 2020, met bijlagen waaronder de verleningsbesluiten, van de Raad; het verweerschrift van 19 juli 2020. Op 20 juli 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: - [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad; - de vader, vergezeld van zijn advocaat en een tolk Mandarijn: [tolk] ; - [vertegenwoordiger van de GI] , namens Jbw; - mevrouw [de vrouw] Na de zitting is, zoals ter zitting afgesproken, nog ontvangen een e-mailbericht van de zijde van de vader met bijgevoegd de Chinese echtscheidingsdocumenten. De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Feiten en omstandigheden - De vader en de moeder zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] , Italië, hierna: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2009 te [geboorteplaats] , Italië, hierna: [minderjarige 2] . - De vader is in 1992 naar Nederland gekomen. Daarna is hij naar Italië gegaan. - De ouders zijn in 2010 met elkaar gehuwd en hun het huwelijk is in 2014 in China door echtscheiding ontbonden. Bij de echtscheiding is bepaald dat de vader voortaan belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . - In 2014 is vader naar Nederland gekomen. De moeder is in 2014 naar China teruggekeerd. [minderjarige 1] is in 2015 naar Nederland gekomen. Voordat [minderjarige 2] in februari 2019 naar Nederland gekomen heeft hij bij zijn oma in China gewoond. - De vader en beide kinderen wonen nu in de woning van mevrouw [de vrouw] ( [woonplaats] , die tevens de werkgever is van de vader. De vader is werkzaam als kok in het Chinese restaurant [A.] van mevrouw [de vrouw] . Eerder, in elk geval tot 9 maart 2020, woonden de vader en de kinderen in een ander pand van mevrouw [de vrouw] ( [verblijfplaats] , samen met andere personeelsleden. - Op 9 maart 2020 is de vader in verzekering gesteld wegens verdenking van een geweldsincident. - De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 maart 2020 Jbw belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De beschikking houdt onder meer het volgende in: “Op grond van de inhoud van het verzoekschrift moet thans worden uitgegaan van het feit dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] feitelijk niet wordt uitgeoefend. De gezaghebbende ouder (de moeder) verblijft sinds jaren in China. Zij is niet actief betrokken bij de opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De vader, waarvan nog onduidelijk is of hij mede met het ouderlijk gezag over de kinderen is belast, heeft in Nederland de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich genomen. Hij is echter op 9 maart 2020 opgepakt en zijn voorarrest is daarna met 90 dagen verlengd. De huidige verzorger van de kinderen doet wisselende uitspraken over haar beschikbaarheid en bereidwilligheid om voor de kinderen te zorgen. Beide kinderen hebben speciale behoeften rondom structuur en veiligheid. Teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen, acht de kinderrechter het dringend en onverwijld noodzakelijk om in gezagsuitoefening van de minderjarige te voorzien. Het is belangrijk dat de GI met spoed gaat onderzoeken waar de kinderen de komende periode veilig kunnen verblijven. Hiervoor dient ook gekeken te worden naar mogelijkheden in het netwerk, te weten bij familie in [plaats 1] . Daarnaast dient ook te worden onderzocht of de vader mede met het ouderlijk gezag belast is. Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Derhalve zal – met toepassing van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – als volgt worden beslist.” - De voorlopige hechtenis van de vader is eind juni 2020 geschorst. Sindsdien wonen de vader en kinderen samen met mevrouw [de vrouw] in haar woning in [woonplaats] . - De vader heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (vijf jaar) bij partner. Verzoek en verweer Het verzoek strekt thans tot: ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar (art 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving zoals vermeld in de verleningsbeslissing, voor de periode van één jaar (art 1: 265b BW). De vader heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de verzochte ondertoezichtstelling. De vader heeft wel verweer gevoerd tegen het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Ondertoezichtstelling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Overwogen wordt dat [minderjarige 1] op 26 maart 2018 is aangemeld bij het Jeugd en Gezinsteam (JGT) omdat sprake was van stagnatie in zijn ontwikkeling: ernstige taal- en leerproblemen en heel moeizaam contact kunnen maken met andere kinderen en/of volwassenen. Kort na zijn aankomst in Nederland signaleerde de school bij [minderjarige 2] zeer moeilijk en grensoverschrijdend gedrag, waarna [minderjarige 2] eveneens is aangemeld bij het JGT. Sindsdien zijn diverse ondersteuners en hulpverleners intensief betrokken bij de kinderen, waaronder ook een coach die Mandarijn spreekt. In oktober 2019 heeft het Veiligheidshuis de coördinatie van de taken van het JGT overgenomen. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn volgens de Raad gelegen in het feit dat de vader werkzaam is als kok in een restaurant met werktijden tussen 14.00 uur en 22.00 uur. Hij werkt vijf à zes dagen per week, hij is op maandagen en op een andere (wisselende) doordeweekse dag vrij. De vader is daardoor buiten schooluren nauwelijks (emotioneel) beschikbaar voor de kinderen waardoor zij veel op zichzelf zijn teruggeworpen. Omdat er nauwelijks toezicht, structuur en (huis)regels zijn is onder meer sprake van veelvuldig schermgebruik en een ongezond eetpatroon. Bij [minderjarige 2] is bovendien sprake van een kind-eigen problematiek (vermoedelijk autisme) die een goede ontwikkeling in de weg staan. Door toenemende (grensoverschrijdende) gedragsproblemen komt [minderjarige 2] niet tot leren en is zijn school handelingsverlegen geraakt. [minderjarige 1] dreigt – mede door de situatie van [minderjarige 2] – ondergesneeuwd te raken. Hij maakt zich voortdurend kleiner en er is onvoldoende oog voor wat hij nodig heeft om tot een goede ontwikkeling te komen, daarnaast is sprake van (ernstig) overgewicht. De vader lijkt wel bereid maar is onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van beide kinderen weg te nemen en/of hulpverlening te organiseren. De vader werkt zeer veel, en is ambivalent in zijn uitspraken over wat hij wil. De kinderrechter is van oordeel dat gezien de door de Raad geschetste problematiek, die de vader niet heeft weersproken, sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen en een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk is. Machtiging tot uithuisplaatsing De vader onderkent dat de kinderen in hun thuissituatie meer begeleiding behoeven zodat zij niet lang alleen zijn en dat er beter aan hun (emotionele) behoeften tegemoet moet worden gekomen. Zijn werktijden in de horeca zijn niet veranderbaar, maar wel heeft hij de woonsituatie en de opvoeding en verzorging van de kinderen in de toekomst beter georganiseerd. De kinderen en de vader zullen niet meer terugkeren naar de [verblijfplaats] maar in de (eensgezins)woning van mevrouw [de vrouw] blijven wonen. Mevrouw [de vrouw] heeft in de periode dat de vader in voorlopige hechtenis verkeerde de kinderen in haar woning opgevangen en hen structuur en begeleiding geboden. Zij heeft daardoor al een band met hen opgebouwd. Daarnaast is afgesproken dat op de momenten dat mevrouw [de vrouw] niet beschikbaar is, de kinderen door mevrouw [uit het netwerk] zullen worden opgevangen. Ook heeft de vader aangevoerd dat een uithuisplaatsing traumatiserend is voor de kinderen omdat dat immers weer een verplaatsing voor hen betekent. De Raad en Jbw hebben aangevoerd dat de vader (en ook mevrouw [de vrouw] ) zich de afgelopen maanden ambivalent hebben uitgelaten, niet alleen over de woonsituatie maar ook over hun beider beschikbaarheid voor de kinderen. De vader kon zich aanvankelijk (ook) vinden in een uithuisplaatsing maar nu verzet hij daar weer tegen. De Raad opteert daarom voor een gezinsvervangende woonomgeving (een gezinshuis in [plaats 2] ) waar de kinderen samen gedurende langere tijd kunnen verblijven. De kinderrechter is van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, BW genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment een stabiele thuissituatie nodig, waar zij tot rust kunnen komen en van waaruit zij zich verder kunnen ontwikkelen. De kinderen hebben in hun jeugdige leven in verschillende landen gewoond met niet beschikbare ouders, wisselende verzorgers en opvoeders, in tekortschietende woonsituaties. De kinderen zijn daardoor zeer onthecht geraakt. Hoewel de vader heeft bepleit dat hij de zorg- en opvoedsituatie voor de kinderen inmiddels beter heeft georganiseerd en dat een uithuisplaatsing voor hen traumatiserend zou werken, hebben deze argumenten de kinderrechter niet kunnen overtuigen. Vooral niet omdat de vader herhaaldelijk heeft verklaard geen verandering te kunnen/willen brengen in zijn werksituatie en de opvang van de kinderen blijft ‘uitbesteden’. Namens de vader is benadrukt dat de kinderrechter oog moet hebben voor de culturele verschillen, dat Chinese mensen nu eenmaal een andere manier van opvoeden hebben en dat het ‘uitbesteden’ van de zorg door vaders binnen Chinese kringen volstrekt gebruikelijk is. Dit brengt de kinderrechter echter niet tot een ander oordeel. Vanzelfsprekend staat het ouders in beginsel vrij hun kinderen op te voeden met inachtneming van hun eigen culturele waarden en normen. Die vrijheid is echter niet onbeperkt en wordt met name daardoor begrensd dat de opvoeding niet in strijd mag komen met de belangen van het kind. In artikel 8 EVRM is voor zover van belang bepaald dat “1 Een ieder (…) recht [heeft] op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven (…) en dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.