← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:7525

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/1284 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2020 in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit, verzoekster V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. M.J. Baaij), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft op 17 februari 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.
  2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:82, tweede lid, van de Awb € 178,-. Op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen twee weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het verzoek op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
  3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 20 februari 2020 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoekster heeft bij brief van 6 maart 2020 verzocht om ontheffing van de betaling van griffierecht vanwege betalingsonmacht. Verzoekster stelt niet in staat te zijn het griffierecht te voldoen. Bij brief van 13 maart 2020 heeft de rechtbank verzoekster in de gelegenheid gesteld binnen twee weken een verklaring over te leggen over haar inkomen en haar vermogens(bestanddelen) in Nederland en het buitenland en haar verklaring met bewijsstukken te onderbouwen. Verzoekster heeft hierop niet gereageerd. Het verzoek om ontheffing van het griffierecht is daarom bij brief van 10 april 2020 afgewezen.
  4. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 11 april 2020 verzoekster nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 15 april 2020 is bezorgd op het kantooradres van gemachtigde.
  5. Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
  6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 juli
  8. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.