proces-verbaal uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10316 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. Oosterhof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Elias). Procesverloop Bij besluit van 7 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.10317, plaatsgevonden op 14 juli
- Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de zaaknummer: NL20.10316 2 Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
- De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In het voornemen van 17 maart 2020 heeft verweerder gesteld dat uit meldingen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers blijkt dat eiser op 17 maart 2020 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit standpunt is in beroep door eiser en zijn gemachtigde niet weersproken. Uit de stukken blijkt bovendien dat eisers gemachtigde geen contact kon krijgen met eiser. Verweerder heeft zich daarom in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vervolgens op 13 juli 2020 bericht dat zij en eiser niet op de zitting aanwezig zullen zijn. De gemachtigde van eiser heeft niet aangegeven dat er alsnog contact is geweest met eiser. De rechtbank leidt hieruit af dat de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser en dat hij met onbekende bestemming is vertrokken sinds 17 maart
- Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer van 22 januari 20141, blijkt dat, indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep, aldus de ABRvS.
- Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat er geen concreet procesbelang is voor deze zaak.
- Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2020 door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.
- ECLI:NL:RVS:2014:183 zaaknummer: NL20.10316 3 Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 16 juli 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.