← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:8918

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL20.14378 (beroep) en NL20.14379 (voorlopige voorziening) proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 september 2020 in de zaken tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. H. Loth), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. C.W. Griffioen). Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tegelijk heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september

  1. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen, met bericht van afwezigheid. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissingen De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen
  2. Eiser voert aan dat hij geen vertrouwen heeft in het Duitse asielsysteem. De rechtbank stelt voorop dat verweerder voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser onderbouwt zijn wantrouwen niet, maar verwijst naar zijn zienswijze. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Met de enkele verwijzing naar zijn zienswijze motiveert eiser niet waarom het bestreden besluit onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
  3. Eiser doet verder een beroep op artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening), maar hij voert geen bijzondere omstandigheden aan op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn om zijn asielaanvraag te behandelen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
  4. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is.
  5. De voorzieningenrechter concludeert dat er dan geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
  6. Bij deze beslissingen is er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.