Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/837106-19 en 09/852073-20 (ttz. gevoegd) Datum uitspraak: 24 september 2020 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], [adres 1] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 september 2020. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.J. Ros en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.P.A. Kint naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De beschuldigingen tegen de verdachte zijn ten laste gelegd in twee dagvaardingen. Aan de verdachte is na wijziging tenlastelegging, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Dagvaarding I met parketnummer 09/837106-19: witwassen, al dan niet in vereniging, van verschillende goederen, waaronder (elektrische) gereedschappen, elektrische apparatuur, documenten en pasjes in de periode van 4 oktober 2016 tot en met 20 februari 2019 te Den Haag en/of Rijswijk en/of opzetheling van die goederen (feit 1 primair) dan wel schuldheling (feit 1 subsidiair); voorhanden hebben van 107 gram hennep op 20 februari 2019 te Den Haag (feit 2); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 7 februari 2019 tot en met 8 februari 2019 te Zoetermeer (feit 3); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 24 januari 2019 tot en met 25 januari 2019 te Hellevoetsluis (feit 4); Dagvaarding II met parketnummer 09/852073-20: diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 5 februari 2019 tot en met 6 februari 2019 te Zoetermeer (feit 1); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 7 januari 2019 tot en met 8 januari 2019 te Noordwijkerhout (feit 2); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 28 januari 2019 tot en met 29 januari 2019 te Oegstgeest (feit 3) diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 7 januari 2019 tot en met 8 januari 2019 te Rijswijk (feit 4); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 4 februari 2019 tot en met 5 februari 2019 te Zoetermeer (feit 5); diefstal uit een bestelauto, al dan niet in vereniging, in de periode van 7 februari 2019 tot en met 8 februari 2019 te Zoetermeer (feit 6). De volledige - ter terechtzitting van 10 september 2020 gewijzigde - tenlasteleggingen zijn integraal opgenomen als bijlage I en maken onderdeel uit van dit vonnis. 3Overwegingen 3.1 Inleiding De verdachte is aangehouden nadat de politie op verschillende locaties goederen heeft aangetroffen die in verband werden gebracht met diefstallen uit bedrijfsauto’s. Naar aanleiding hiervan is het onderzoek Fabrilia gestart en is onderzoek gedaan naar diefstal uit verschillende bedrijfsauto’s en het witwassen dan wel de heling van onder andere gereedschappen. In dit onderzoek zijn naast de verdachte onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als verdachten aangemerkt. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Op haar specifieke standpunten wordt hierna - voor zover relevant – nader ingegaan. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnota, gerefereerd voor wat betreft het voorhanden hebben van de hennep en voorts bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle overige feiten. Op specifieke standpunten van de verdediging zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging 3.4.1 Dagvaarding I (feit 1) Op vier verschillende adressen hebben doorzoekingen plaatsgevonden en daarbij zijn goederen aangetroffen die grotendeels van diefstal afkomstig bleken te zijn. Het gaat daarbij om de volgende locaties: - [adres 2] te Den Haag; - een opslagruimte bij [adres 3] te Rijswijk; - een woning aan [adres 4] te Den Haag; - en een woning aan [adres 5] te Den Haag. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de verdachte wist dat deze goederen op die locaties lagen en of hij wist van de criminele herkomst daarvan. [adres 2] in Den Haag Met betrekking [adres 2] te Den Haag overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn [vriendin] , op dit adres woont en dat hij regelmatig bij haar in de woning verbleef. In de woning zijn twee stuks gereedschap in beslag genomen. De verdachte heeft naar voren gebracht dat deze goederen eigendom zijn van de broer van [vriendin] . De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat deze goederen afkomstig zijn van diefstal, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte dit gereedschap heeft witgewassen of geheeld. Daarnaast is een grote hoeveelheid gereedschappen in de kelderbox van deze woning aangetroffen waarvan deels is vast te stellen dat deze van diefstal afkomstig zijn. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij geen toegang had tot die kelderbox, en hij heeft ontkend dat deze goederen aan hem toebehoorden. De goederen zijn aangetroffen in een tas met daarop de naam: ‘ [medeverdachte 2] ’. [vriendin] heeft verklaard dat de kelderbox wel eens wordt gebruikt door een vriend om spullen in te bewaren. Die vriend heet [medeverdachte 2] . De rechtbank kan, gelet op het voorgaande, niet vaststellen dat de tas en de gereedschappen die in de kelderbox zijn aangetroffen aan de verdachte toebehoorden. De enkele omstandigheid dat [vriendin] op de vraag van wie het gereedschap is, heeft geantwoord: ‘Moet je maar aan [verdachte] vragen’ is hiertoe, mede gelet op haar eerdere verklaring, onvoldoende. De officier van justitie heeft in dit verband nog gewezen op de spraakberichten die in de telefoon van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen. De stemmen die te horen zijn, worden door de politie herkend als de stemmen van [medeverdachte 1] en de verdachte. Hoewel in die gesprekken wordt gesproken over gereedschappen en gereedschapskoffers kan niet worden vastgesteld dat deze gesprekken enig verband houden met de aangetroffen goederen in de kelderbox van de woning aan [adres 2] . De rechtbank kan, alles afwegende, niet vaststellen dat de verdachte wist dat in de kelderbox gereedschap lag of dat dit gereedschap een criminele herkomst had, zodat hij van het witwassen dan wel de heling van deze goederen moet worden vrijgesproken. [adres 3] in Rijswijk In de opslagruimte bij [adres 3] te Rijswijk is een grote hoeveelheid goederen aangetroffen, waarvan een groot deel van diefstal afkomstig bleek te zijn. De politie heeft de camerabeelden van deze loods uitgekeken. Op deze beelden zijn verschillende personen in wisselende samenstellingen te zien. Op 29 januari 2019 en 2 februari 2019 zijn twee mannen op de beelden te zien. Eén man is herkend als [medeverdachte 1] . De politie heeft de andere man niet herkend, maar volgens de politie past het signalement van die man bij het signalement van de verdachte. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze enkele omstandigheid onvoldoende is om de wetenschap en betrokkenheid van de verdachte bij de goederen in de opslagbox vast te stellen. [adres 4] en [adres 5] in Den Haag In de woningen aan [adres 4] en aan [adres 5] te Den Haag hebben doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij een groot aantal goederen is aangetroffen. De aangetroffen goederen betroffen voornamelijk gereedschappen, waarvan deels is vast te stellen dat deze van diefstal afkomstig zijn. Een deel van de goederen is door aangevers herkend als hun weggenomen goederen. Uit het dossier blijkt geen enkele betrokkenheid van de verdachte bij de op deze adressen aangetroffen goederen. Zo zijn geen persoonlijke spullen van de verdachte in die woningen aangetroffen en kan ook niet worden vastgesteld dat hij daar (regelmatig) kwam. Conclusie Nu de rechtbank niet heeft kunnen vast stellen dat: de (twee) goederen, die in de woning aan [adres 2] te Den Haag in beslag zijn genomen, van diefstal afkomstig zijn; de verdachte de goederen, die in de kelderbox bij die woning zijn aangetroffen, heeft verworven en/of voorhanden gehad; en evenmin betrokkenheid van de verdachte bij de gestolen goederen op de andere adressen is vastgesteld; zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder feit 1 van dagvaarding I ten laste gelegde witwassen en/of heling. 3.4.2 Dagvaarding I (feiten 3 en 4) en dagvaarding II (feiten 1 tot en met 6) Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder dagvaarding I (feiten 3 en 4) en dagvaarding II (feiten 1 tot en met 6) ten laste gelegde en overweegt daartoe als volgt. Uit onderzoek naar de historische telefoongegevens blijkt dat het [telefoonnummer] om en nabij het tijdstip van deze diefstallen zendmasten heeft aangestraald in de nabije omgeving van de locaties waar de diefstallen zijn gepleegd. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit telefoonnummer toebehoort aan zijn [vriendin] , maar dat ook hij dat nummer (soms) gebruikt. Bovendien blijkt uit het onderzoek van de politie dat de voicemail behorende bij dit telefoonnummer is ingesproken door de verdachte. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het [telefoonnummer] in gebruik was bij de verdachte. Dat de telefoon die in gebruik was bij de verdachte zich bevond in de nabije omgeving van alle acht diefstallen is voor de rechtbank echter onvoldoende om de betrokkenheid van de verdachte bij de auto-inbraken vast te stellen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in het dossier gevoegde (chat)gesprekken met het nummer eindigend op [telefoonnummer] , waarin wordt gesproken over merknamen van gereedschappen en over de verkoop van gereedschap, belastend zijn voor de verdachte. Deze gesprekken vonden echter plaats op 30 januari 2019. De verdachte wordt geen auto-inbraak op die datum verweten. Er is daarom onvoldoende bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde diefstallen heeft gepleegd. Nu in het dossier geen andere bewijsmiddelen naar voren komen die zien op de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten, zal de rechtbank hem vrijspreken van de feiten 3 en 4 van dagvaarding I en de feiten 1 tot en met 6 van dagvaarding II. 3.4.3 Dagvaarding I (feit 2) De rechtbank zal voor dagvaarding II (feit 2) volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen algehele vrijspraak bepleit. De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op: de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2020; het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 21 februari 2019 (p.188) inzake de verklaring van [vriendin] - na confrontatie met de aangetroffen zak hennep - dat zij daar zalf van maakte voor de kleinkinderen; het proces-verbaal, opgemaakt op 21 februari 2019 (p. 186-229) inzake het aantreffen van een zak met hennepresten; het proces-verbaal, opgemaakt op 21 februari 2019 (p.503) inzake het onderzoek naar de in beslag genomen hennep. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 20 februari 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] ongeveer 107 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft zij de gevangenneming gevorderd voor feit 2 (dagvaarding I) en de feiten 1 tot en met 6 (dagvaarding II). 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat. De raadsman heeft zich verzet tegen de vordering gevangenneming en heeft opheffing van de voorlopige hechtenis voor de feiten 1, 3 en 4 (dagvaarding I) verzocht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 107 gram hennep. Dat is veel meer dan een gebruikershoeveelheid. Hennep bevat voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stoffen en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2020. Hieruit blijkt niet dat de verdachte recent onherroepelijk is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. De rechtbank acht, gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de geldboete in mindering zal worden gebracht. Dit betekent dat er geen te betalen bedrag meer resteert. Gelet op de partiële vrijspraak en de veroordeling tot een geldboete zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming voor feit 2 (dagvaarding I) en de feiten 1 tot en met 6 (dagvaarding II) afwijzen, en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis voor de feiten 1, 3 en 4 (dagvaarding I) opheffen. 7De vorderingen van de benadeelde partijen Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 [benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.533,38, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 555,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.226,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit aan materiële schade. [benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.261,96, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.140,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 355,01, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.964,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. [benadeelde 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.503,40, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2 [benadeelde 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.811,12, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Ten aanzien van dagvaarding II, feit 5 [benadeelde 11] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10] toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.716,56. Zij heeft daarbij de oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht om de benadeelde partij [benadeelde 10] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze vordering niet met stukken is onderbouwd. Ten aanzien van de overige vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring daarvan omdat de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de weggenomen goederen niet kan worden vastgesteld en daarmee geen sprake is van een rechtstreeks gevolg tussen de schadeposten en het handelen van de verdachte. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, nu hij vrijspraak heeft bepleit voor de betreffende feiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen - met uitzondering van de vorderingen van [benadeelde 10] en [benadeelde 11] - niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de schade niet is veroorzaakt door de strafbare feiten die door de verdachte zijn gepleegd. Meer subsidiair stelt de raadsman bij een aantal vorderingen dat deze vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu de behandeling hiervan een te grote belasting van het strafgeding in zou houden en/of geen sprake is van rechtstreekse schade. Uiterst subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een deel van de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en daarom moeten worden afgewezen. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 3] moeten worden gematigd. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, aangezien de verdachte van de feiten waarop die vorderingen betrekking hebben - te weten de feiten 1, 3 en 4 (dagvaarding I) en de feiten 1 tot en met 6 (dagvaarding II) - zal worden vrijgesproken. Nu deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, dienen zij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de vordering heeft gemaakt en nog zal maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil. 8De in beslag genomen goederen 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (de beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) worden verbeurd verklaard. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen dienen te worden geretourneerd aan de rechthebbende, dat is de broer van [vriendin] . 8.3 Het standpunt van de verdediging Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen. De verdachte heeft verklaard dat deze goederen toebehoren aan de broer van [vriendin] . 9De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 23, 24 c en 47 van het Wetboek van Strafrecht; - 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09/837106-19 (feiten 1, 3 en 4) en dagvaarding II met parketnummer 09/852073-20 (feiten 1 tot en met 6) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09/837106-19 onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwetgegeven verbod; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro); bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 8 (acht) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op € 50,00 (vijftig euro) per dag; de voorlopige hechtenis; wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte voor feit 2 (dagvaarding I) en de feiten onder 1 tot en met 6 (dagvaarding II); heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis voor de feiten 1, 3 en 4 (dagvaarding I); de vorderingen van de benadeelde partijen: verklaart: [benadeelde 10] ; [benadeelde 11] ; [benadeelde 1] ; [benadeelde 2] ; [benadeelde 3] ; [benadeelde 4] ; [benadeelde 5] ; [benadeelde 6] ; [benadeelde 7] ; [benadeelde 8] ; [benadeelde 9] ; niet-ontvankelijk in de ingediende vordering; veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil; de in beslag genomen goederen: gelast de teruggave aan de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten: twee stuks gereedschap. Dit vonnis is gewezen door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, mr. M. Rigter, rechter, mr. A.M. Gruschke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal- de Zoeten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2020. Bijlage I: Tekst tenlastelegging Dagvaarding I met parketnummer 09/837106-19: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 oktober 2016 tot en met 20 februari 2019 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte), (telkens) in voornoemde periode van één of meerdere voorwerpen (diverse (elektrische) gereedschappen (en/of toebehoren), (elektrische) apparatuur (en/of onderdelen), documenten, pasjes (zie bijlage)), - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of - verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld, wie de rechthebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.