RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/7468 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen [eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. A.C. Pool), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Jonkman). Procesverloop Bij besluit van 28 november 2018 heeft verweerder de namens eiseres ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging afgewezen. Bij besluit van 4 september 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Overwegingen Wat ging aan het bestreden besluit vooraf? 1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en beoogt verblijf in Nederland bij haar broer (broer 1) en hun ouders. Broer 1 heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft een mvv nareis aangevraagd voor zijn broer (broer 2), ouders en eiseres. Omdat de nareisprocedure niet voorziet in mogelijkheden om broers en zussen te laten nareizen, is de aanvraag voor de ouders afgesplitst van de aanvraag voor eiseres en broer 2. Toen de moeder van eiseres een mvv heeft ontvangen, heeft verweerder haar als referent aangemerkt voor de aanvraag van eiseres en de aanvraag verder beoordeeld als een aanvraag voor een verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM. 1.1. Verweerder heeft aanvrager bij brief van 28 februari 2018 meegedeeld dat zij de Nederlandse ambassade in Addis Abeba machtigt aan eiseres een mvv te verlenen. Toen eiseres de mvv op de ambassade kwam ophalen, heeft op de ambassade een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden, bestaande uit een interview en een leeftijdsschouw. De bevindingen van het leeftijdsonderzoek zijn neergelegd in een (ongedateerd) rapport. Op basis hiervan bestond twijfel over de door aanvrager opgegeven leeftijd van eiseres. Verweerder heeft daarop geconcludeerd dat de identiteit van eiseres niet is komen vast te staan. Gelet op de twijfel aan de leeftijd van eiseres heeft verweerder identificerende documenten bij eiseres opgevraagd en ontvangen. Waarom is de mvv geweigerd? 2. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de identiteit van eiseres niet is aangetoond. Op basis van het leeftijdsonderzoek op de Nederlandse ambassade is de leeftijd van eiseres door drie medewerkers geschat op 18 tot 22 jaar. Naar aanleiding van de bezwaren over het leeftijdsonderzoek heeft verweerder bij het bestreden besluit over de uitvoering hiervan een aanvullend rapport van 29 augustus 2019 gevoegd. Volgens verweerder heeft het onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden. Gelet hierop zorgen alleen de verklaringen van eiseres er niet voor dat de ontstane twijfel over haar identiteit wordt weggenomen. Omdat de identiteit niet is komen vast te staan, komt verweerder niet toe aan de beoordeling van de familierechtelijke relatie tussen eiseres, aanvrager en referent. Wat is het standpunt van eiseres? 3. Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Daarom heeft verweerder ten onrechte ook niet beoordeeld of er gelet op artikel 8 van het EVRM een familierechtelijke relatie is. In dat verband betoogt eiseres dat het leeftijdsonderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op de bezwaargronden die hierover gaan. Ten eerste vindt eiseres de verwijzing naar een rapport ter aanvulling van de leeftijdsschouw onvoldoende. Dat rapport is meer dan een jaar na dato opgesteld. Verder blijkt hieruit dat de gesprekken niet apart van elkaar hebben plaatsgevonden. Dat had wel moeten gebeuren. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 mei 2019. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geconcludeerd wordt tot evidente meerderjarigheid. Die conclusie is kennelijk slechts gebaseerd op het uiterlijk, maar niet toegelicht. Gelet hierop had aan eiseres DNA-onderzoek moeten worden aangeboden om haar identiteit vast te stellen, net zoals verweerder dat bij broer 2 heeft gedaan. Wat blijkt uit het rapport van de leeftijdsschouw? 4. In het eerste (ongedateerde) rapport staat dat de leeftijdsschouw op 15 augustus 2018 is uitgevoerd door drie medewerkers. Twee medewerkers zijn van de Nederlandse ambassade in Addis Abeba (medewerker 1 en medewerker 2). De derde medewerker is werkzaam bij de IND (medewerker 3) en zij heeft ook het interview afgenomen. Vermeld is dat bij de beoordeling het uiterlijk, het gedrag, de verklaringen en andere relevante omstandigheden zijn betrokken. Over het uiterlijk vermeldt het rapport: “Op basis van de uiterlijke kenmerken lijkt betrokkene ouder dan 14 jaar. Betrokkene ziet er niet uit als een puber van 14 jaar maar als een jongvolwassen dame.” Verder staat er het volgende: “Het gedrag: Betrokkene heeft geen gedrag vertoond waaruit kan worden afgeleid dat zij jonger of ouder zou zijn dan haar gestelde leeftijd. Wel wordt opgemerkt dat betrokkene verlegen overkomt. De verklaringen: De verklaringen over de schoolperiode van betrokkene kloppen met de gestelde leeftijd. Wat opvallend is dat haar moeder laat begonnen is met kinderen en dat betrokkene niet weet wat een gebruikelijke leeftijd is om kinderen te krijgen. Andere relevante omstandigheden: De leeftijd van de ouders van betrokkene volgens de ID-kaarten.” Op basis van de schouw schatten medewerker 1 en medewerker 3 de leeftijd van eiseres tussen 18 en 22 jaar, medewerker 2 schat deze rond de 20 jaar. Wat blijkt uit het aanvullend rapport? 4.1. In het aanvullend rapport van 29 augustus 2019 heeft medewerker 3 de gang van zaken bij de leeftijdsschouw beschreven. Zij vermeldt dat er twee sessies hebben plaatsgevonden. De eerste sessie hield het interview in dat zij met eiseres heeft gehouden. Tijdens de tweede sessie hebben medewerker 1 en medewerker 2 (ongeveer gelijke) vragen gesteld. Medewerker 3 beschrijft de tweede sessie als volgt: “Tijdens deze sessie was ik aanwezig in de kamer van het interview. Ik heb [medewerker 1 en medewerker 2] voorgesteld aan de vreemdeling maar me verder afwezig gehouden van de vragen. [Medewerker 1 en medewerker 2] zijn de kamer uitgegaan en ik heb nog enkele afsluitende vragen gesteld aan de vreemdeling. Vervolgens heb ik aan [medewerker 1 en medewerker 2] gevraagd om een schatting te maken en te motiveren hoe ze tot deze schatting komen. Dit is apart van elkaar gebeurd en er heeft geen overleg plaatsgevonden. Ik heb de schattingen van [medewerker 1 en medewerker 2] opgenomen in het verslag. In het verslag heb ik een samenvatting gemaakt van de punten die genoemd werden door [medewerker 1 en medewerker 2], en die mijzelf waren opgevallen ten aanzien van het uiterlijk, gedrag, verklaringen en overige relevante zaken.” Heeft de leeftijdsschouw zorgvuldig plaatsgevonden? 5. Tussen partijen is niet in geschil dat een leeftijdsschouw zorgvuldig moet plaatsvinden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij bij de uitvoering van de leeftijdsschouw het beleid over de leeftijdsschouw bij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel analoog heeft toegepast. Dat beleid is neergelegd in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierin stond ten tijde van de aanvraag dat de medewerker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.