← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:962

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.29883 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg). Procesverloop Bij besluit van 7 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.29884, plaatsgevonden op 9 januari

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Niet is in geschil dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Op 13 november 2019 heeft Italië op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening ingestemd met het terugnameverzoek.
  3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet ervan worden uitgegaan dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit geldt voor asielzoekers die niet kunnen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
  4. Hierin is eiser niet geslaagd. De rechtbank volgt de lijn van de Afdeling ten aanzien van asielzoekers die niet kunnen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Het beroep van eiser op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 29 november 2019 slaagt niet, nu deze uitspraak ziet op bijzonder kwetsbare personen en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot deze categorie vreemdelingen behoort.
  5. Eiser heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden niet aan Italië kan worden overgedragen.
  6. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 9 januari
  9. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Verordening (EU) nr. 604/2013 Uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957) Arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ECLI:NL:RBOBR:2019:6892

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.