RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16761 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R. Bom), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 9 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL20.16762, plaatsgevonden op 18 september
- Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1988 en de Syrische nationaliteit te bezitten.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarbij wijst verweerder erop dat de autoriteiten van Roemenië het verzoek om eiser terug te nemen hebben geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
- Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Eiser voert aan dat hij nooit de intentie heeft gehad om in Roemenië asiel aan te vragen en dat hij onderweg naar Nederland is gedwongen om zijn vingerafdrukken af te geven.
- Uit eisers dossier blijkt dat hij in het Eurodac-systeem is geregistreerd met de code ‘RO1’. Hieruit dient te worden afgeleid dat eiser in Roemenië asiel heeft aangevraagd. Volgens vaste jurisprudentie mag verweerder uitgaan van de juistheid van een recente registratie in het Eurodac-systeem door een andere lidstaat en ligt het op de weg van de vreemdeling om deze juistheid te weerleggen. De niet onderbouwde stelling van eiser dat hij ten onrechte op deze wijze is geregistreerd, is daarvoor onvoldoende.
- Verder voert eiser aan dat hij in Roemenië niet adequaat zal worden behandeld. Daarbij wijst hij op zijn verklaringen tijdens het Aanmeldgehoor Dublin dat hij zijn kamer niet zomaar mocht verlaten, dat hij geen eten kreeg en dat het niet schoon was.
- Met deze niet onderbouwde stellingen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er in Roemenië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvang voor asielzoekers zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Dit brengt met zich dat er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit moet worden gegaan dat eiser na overdracht aan Roemenië op adequate wijze zal worden behandeld.
- Ten slotte voert eiser aan dat het gelet op de omstandigheden rondom de bestrijding van het coronavirus onverantwoord is om tot overdracht over te gaan. Hierin volgt de rechtbank eiser niet, gelet op de uitspraak van de Afdeling waarin uiteen is gezet dat de coronacrisis slechts een tijdelijk beletsel van feitelijke aard is waardoor de verantwoordelijkheid van lidstaten voor het behandelen van asielaanvragen niet wordt aangetast.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
- Verordening (EU) Nr. 604/
- Op grond van artikel 24, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Verordening (EU) Nr. 603/2013 (Eurodac-verordening) en lijst A van bijlage II bij de Verordening (EU) Nr. 118/2014 (Uitvoeringsverordening). ECLI:NL:RVS:2020:
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.