Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 19-6996 Zaaknummer: C/09/580676 Datum beschikking: 7 februari 2020 Alimentatie Beschikking op het op 30 augustus 2019 ingekomen verzoek van: [X] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Nobel te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [Y] , de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van 23 augustus 2019, met bijlagen, van de zijde van de moeder; het verweerschrift van 14 november 2019, met bijlagen, van de zijde van de moeder; het F9 formulier van 6 december 2019, met bijlagen, van de zijde van de vader; de brief van 19 december 2019, met bijlagen, van de zijde van de moeder. Op 10 januari 2020 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door mr. B.L. Lok, plaatsvervanger van zijn advocaat. Van de zijde van de vader zijn op de zitting nadere stukken overgelegd. Feiten - De vader en de moeder zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] . [voornaam minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder. Bij beschikking van [beschikkingsdatum] 2019 van deze rechtbank is bepaald – voor zover hier van belang – dat aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag toekomt over [voornaam minderjarige] en dat [voornaam minderjarige] bij de vader zal zijn: - tijdens de schoolweken een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de ouders het exacte aanvangstijdstip op vrijdag telkens in tijdig onderling overleg moeten vaststellen tussen 16.00 uur en 19.00 uur, afhankelijk van het werkrooster van de vader, en waarbij de vader ervoor zorgt dat [voornaam minderjarige] op zondag voor de overdracht aan de moeder gegeten heeft; - gedurende de helft van de schoolvakanties, die helft door beide ouders in tijdig onderling overleg nader af te spreken; - waarbij telkens de overdracht van [voornaam minderjarige] van de ene ouder aan de andere ouder de eerstkomende tijd nog op neutraal terrein zal plaatsvinden, de exacte plaats daarvan telkens door beide ouders in tijdig onderling overleg nader af te spreken. Verzoek en verweer De moeder verzoekt – voor zover de rechtbank begrijpt – uiteindelijk de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te bepalen op € 25,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Inhoudelijke beoordeling Behoefte minderjarige Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen en de daarbij behorende Tabel eigen aandeel kosten kinderen. Voor het bepalen van die behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (nbgi) van partijen tijdens hun relatie te worden bepaald. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van iedere ouder is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere inkomsten, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen. Ook wordt geen rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de bijtelling vanwege een auto van de zaak. De rechtbank is gebleken dat de ouders tot 2014 een relatie hebben gehad en ook tot dat moment hebben samengewoond. In 2016 hebben de ouders opnieuw een relatie gekregen en deze relatie hebben zij in 2017 beëindigd. Gedurende deze periode hebben de ouders niet samengewoond. De ouders zijn het erover eens dat voor de berekening van de behoefte van [voornaam minderjarige] moet worden gekeken naar het jaar 2017, het jaar waarin zij hun relatie hebben beëindigd. Zij verschillen echter van mening over de vraag of voor de berekening van de behoefte van [voornaam minderjarige] moet worden gekeken naar het gezinsinkomen of naar het inkomen van beide ouders afzonderlijk en een gemiddelde van de behoefteberekening op basis daarvan. In het Rapport alimentatienormen staat vermeld dat, in afwijking van de behoefteberekening op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen, voor de bepaling van de behoefte van een kind het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder, indien de ouders van een kind nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. De rechtbank begrijpt hieruit dat van een speciale rekenmethode gebruik gemaakt dient te worden, indien een kind wordt geboren uit twee ouders die nooit gedacht hebben samen een gezin te vormen. In andere gevallen moet gebruik worden gemaakt van een behoefteberekening op basis van het gezinsinkomen. De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van [voornaam minderjarige] berekend moet worden op basis van het gezinsinkomen, omdat de ouders een aantal jaren tot 2014 wel hebben samengewoond. Het feit dat de ouders bij het hervatten van de relatie niet hebben samengewoond en bij het beëindigen van de relatie in 2017 ook niet samenwoonden, maakt dit oordeel niet anders. NBI moeder tijdens uiteengaan Niet in geschil tussen de ouders is dat het NBI van de moeder in 2017 € 870,- is. Daar gaat de rechtbank in de berekening van de behoefte van [voornaam minderjarige] daarom ook van uit. NBI man tijdens uiteengaan Wel in geschil tussen de ouders is het NBI van de vader in 2017. De rechtbank sluit aan bij de door de vader gehanteerde uitgangspunten in de door hem overgelegde berekening van zijn NBI in 2017. De vader gaat bij deze berekening uit van een inkomen van € 8.724,- bruto per jaar. Uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2017 als productie 1 bij het verweerschrift heeft de rechtbank kunnen afleiden dat dit inderdaad het bruto jaarinkomen van de vader betreft in 2017. Uit de berekening van de vader van zijn NBI ten tijde van de relatie in 2017 volgt een bedrag van € 661,- per maand en hier gaat de rechtbank dan ook vanuit. Het NBI van de moeder in 2017 was dus € 870,- per maand en het NBI van de man in 2017 was € 661,- per maand. Daarnaast hadden de ouders in 2017 recht op een kindgebonden budget van € 352,-. Aldus becijfert de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de relatie op (€ 870,- + € 661,- + € 352,- =) € 1883,- per maand. Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van [voornaam minderjarige] toepasselijke aantal kinderbijslagpunten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.