Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/610868 / KG ZA 21-381 Vonnis in kort geding van 7 september 2021 in de zaak van [eiser] te [plaats], eiser, advocaat mr. C.J.J. Visser te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Perenboom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 april 2021 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de op 3 juni 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd; - de op 18 juni 2021 door [eiser] ingediende productie; - de op 24 augustus 2021 voortgezette mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting van 24 augustus 2021 is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] heeft de Turkse nationaliteit en verblijft in Nederland. Op 1 augustus 2018 hebben de Turkse autoriteiten verzocht om uitlevering van [eiser], omdat hij in Turkije wordt verdacht van ‘sexual abuse of a minor’ in zijn positie als assistent-directeur van een middelbare school. Onderdeel van het uitleveringsverzoek is de volgende garantie: “The imputed crime is not a political, military or financial offence. The accused holds all the legal rights of defence prescribed by the international treaties to which the Republic of Turkey is a party as well as those granted by our domestic law. Turkey is a party to the European Convention on Human Rights. Turkey, in accordance with Article 34 of the Convention, further accepts individual applications against itself. Within this framework, the accused has the right to apply to the European Court of Human Rights against the final decisions. Upon completion of extradition procedures, should another crime committed before the date of extradition and which is under the scope of Turkish Criminal Jurisdiction arise, the approval of relevant authorities in your country shall be requested in accordance with the “Principle of Specialty” in order to be able to try the suspect for this crime. In the event that our request is refused by your competent authorities, the accused shall not be tried for the crimes other than the one which is the subject of extradition.” 2.2. Bij beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2019 is de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Bij advies van gelijke datum heeft de rechtbank Oost-Brabant aan de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) geadviseerd: “- om bij de beslissing of tot uitlevering wordt overgegaan, bijzondere aandacht te schenken aan de omstandigheid dat het rechtssysteem in Turkije onder druk staat en aan de huidige detentieomstandigheden in Turkije; - er op toe te zien dat de uitlevering - gelet op de eerdere verdenking en dreigende vervolging van de opgeëiste persoon wegens het plegen van een politiek delict - niet alsnog plaatsvindt voor vervolging wegens een politiek delict of enig ander delict dan het delict waarvoor het verzoek tot uitlevering is ingesteld alsmede hieromtrent garanties te vragen van de Turkse autoriteiten.” 2.3. De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 januari 2020 het cassatieberoep van [eiser] tegen de uitspraak van 17 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien [eiser] niet (tijdig) cassatiemiddelen had ingediend. 2.4. Vervolgens hebben de Turkse autoriteiten bij brief van 14 mei 2020 het volgende verklaard: “The Ministry of Justice of the Republic of Turkey States that “Rule of Speciality” regulated under article 14 of the European Convention on Extradition will be supervised by Turkish judicial authorities as it was stated under the “Guarantees” section included at the last page of the extradition request for Mr. [eiser], and indicates that the required guarantees in accordance with the European Convention on Human Rights have already been given.” 2.5. Nadat het ministerie van Justitie en Veiligheid aan de Turkse autoriteiten op 18 augustus 2020 had medegedeeld dat gezien het advies van de rechtbank Oost-Brabant specifiekere garanties vereist waren, hebben de Turkse autoriteiten op 3 september 2020 het volgende verklaard: “The necessary guarantee regarding the extradition of Mr. [eiser], granted by the Ministry of Justice of the Republic of Turkey in its capacity as the Central Authority is as follows: It shall comply with the minimum requirements set out in the Article 3 of 1950 European Convention for the Protection of the Human Rights and Fundamental Freedoms (ECHR) and the European Prison Rules dated 11/01/2006 of the Committee of Ministers of the Council of Europe, According to Article 3 of the ECHR, the aforementioned person shall not be subjected to torture or inhuman or degrading treatment, The said person will be prosecuted by the independent courts within the constitutional and legal framework and in accordance with the rules concerning the right to a fair trial regulated under Article 6 of the ECHR, In that regard, the said person will benefit from all fair trial guarantees pursuant to Article 6 of the ECHR, The said person will have the right to an effective remedy, regulated under Article 13 of the ECHR, within the constitutional and legal framework.” 2.6. Bij beschikking van 2 maart 2021 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Turkije toegestaan. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Turkije, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] is Koerdisch en hij is er door de Turkse autoriteiten van verdacht te handelen ten gunste van de FETÖ en propaganda te hebben gemaakt voor de HDP. Daarmee behoort [eiser] tot twee kwetsbare groepen en loopt hij een reëel gevaar om slachtoffer te worden van een met de artikelen 3 en 6 EVRM strijdige behandeling als hij wordt uitgeleverd aan Turkije. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. 4.2. Uit de artikelen 8 en 10 van de Uitleveringswet volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, hetgeen in deze procedure het geval is, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277). 4.3. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, zoals hier het geval is, moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen, welk vertrouwen meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.