← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:10206

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 21/2106 V-nummer: [Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 oktober 2020 voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid als zelfstandige afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld. Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. De griffie heeft op 13 april 2021 een nota verstuurd aan het adres van eiser, waarmee eiser in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen deze termijn betaald. Vervolgens is aan het adres van eiser op 12 mei 2021 een herinnering tot betaling van het griffierecht verstuurd. Hiermee is eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het griffierecht te betalen. De rechtbank heeft het griffierecht niet binnen voornoemde termijn ontvangen. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank komt hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling is bij deze uitkomst geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.A. Meinert, griffier, op 13 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.