RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13313 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer](gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 17 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaak NL21.13314, plaatsgevonden op 1 september
- Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die per skype-verbinding heeft deelgenomen aan de behandeling ter zitting. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1996 en heeft een onbekende nationaliteit. Hij heeft op 28 juli 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit Eurodac is gebleken dat hij reeds eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Gelet op de beschikbare informatie zijn de autoriteiten van Duitsland gevraagd om betrokkene terug te nemen. Zij hebben hiermee ingestemd op 12 augustus
- Verweerder heeft het bestreden besluit niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte in het voornemen heeft gesteld dat aan Duitsland is gevraagd om eiser terug te nemen. Dit is niet het geval, waardoor verweerder onzorgvuldig is geweest.
- Volgens het dossier heeft verweerder op 10 augustus 2021 aan Duitsland verzocht om eiser op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening terug te nemen. Dit was voor het voornemen van 9 september 2021, waardoor deze grond feitelijke grondslag mist.
- Eiser heeft verder aangevoerd dat het claimakkoord niet bij het bestreden besluit is gevoegd, waardoor het besluit gebrekkig is gemotiveerd en daarmee tevens onzorgvuldig is.
- Het claimakkoord van 12 augustus 2021 is opgekomen in het dossier. De stelling dat deze bij het bestreden dient te worden gevoegd mist een wettelijke grondslag. Ook deze grond kan daarom niet slagen.
- Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij door de maatregelen die gelden in het kader van het coronavirus pandemie niet kan worden overgedragen aan Duitsland.
- De omstandigheid dat de overdracht op dit moment, als gevolg van de maatregelen die zijn getroffen vanwege het coronavirus, niet kan worden uitgevoerd is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Duitsland als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Het staat er niet aan in de weg dat, als het overdrachtsbeletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, op en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie ook de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020 en 30 oktober 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:1032 en ECLI:NL:RVS:2020:2580.)