RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/461 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M van Breda). Procesverloop Bij afzonderlijk besluit van 21 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van AWB 20/7438 en AWB 20/9615, plaatsgevonden op 21 juli 2021 te Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft eiser het beroep ingetrokken met verzoek tot veroordeling van verweerder in de kosten van dat beroep. Overwegingen
- Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank – bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 van die wet – een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen.
- Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
- De intrekking van het beroep is het gevolg van een inwilligend besluit van 25 mei 2021, waarmee eiser rechtmatig verblijf heeft verkregen. Verweerder heeft het bestreden besluit niet ingetrokken of gewijzigd. Van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Awb is dan ook geen sprake. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek zal worden afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, op en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.