RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13229 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Jong). Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.13230, op 3 september 2021 te Dordrecht op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . 1.2. Eiser heeft op 14 juni 2019 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 1 oktober 2019 niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 11 november 2019 het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. 1.3. Eiser heeft opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft op 5 juli 2021 opnieuw een claimverzoek aan Duitsland verzonden, welk verzoek op 8 juli 2021 door Duitsland werd aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 3. In deze zaak houdt partijen verdeeld wanneer eiser zijn tweede asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn tweede asielaanvraag op 11 juni 2021 heeft ingediend. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij dit reeds op 10 december 2020 heeft gedaan en dat daarom Nederland verplicht (op grond van artikel 23 van de Dublinverordening) dan wel onverplicht (op grond van artikel 17 van de Dublinverordening) zijn asielaanvraag moet behandelen. 4.1. In artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) is bepaald dat wanneer een persoon een verzoek om internationale bescherming doet bij een autoriteit die naar nationaal recht bevoegd is voor de registratie van deze verzoeken, de registratie plaatsvindt binnen drie werkdagen nadat het verzoek is gedaan. In artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat een persoon die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het zo snel mogelijk in te dienen. In artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend zodra de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door een verzoeker ingediend formulier, of, indien voorgeschreven naar nationaal recht, een officieel rapport, hebben ontvangen. 4.2. In artikel 20, eerste lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, aanvangt zodra het verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend. In artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn. 4.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen moet worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4264 en de uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2468). Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2098, volgt dat lidstaten op grond van artikel 6 van de Procedurerichtlijn verschil mogen maken tussen het ‘doen’ van een asielverzoek en het ‘indienen’ daarvan. Een asielverzoek dat is ‘ingediend’, is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 5. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen registratie bevindt waaruit blijkt dat eiser op 10 december 2020 een asielverzoek heeft ‘gedaan’. Evenmin bevindt zich in het dossier een aanvraagformulier (M35-O) waaruit blijkt dat eiser op 10 december 2020 een asielverzoek heeft ‘ingediend’ of een proces-verbaal met die strekking. 6. Niet in geschil is echter dat eiser zich op 10 december 2020 bij het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft aangemeld en daar met een medewerker van verweerder heeft gesproken, waarna hij in het bezit is gesteld van verschillende stukken (waaronder een ‘Afsprakenkaart’ en een afspraakbevestiging voor een TBC-onderzoek op 11 december 2020) en toegang heeft gekregen tot de opvang. Van dit gesprek met de medewerker van verweerder bevindt zich geen verslag in het dossier, zodat niet duidelijk is wat er is gezegd en besproken. Gelet echter op het feit dat eiser op dat moment wist dat hij geen openstaande asielprocedure meer had, aangezien zijn eerste in Nederland ingediende asielaanvraag (zie 1.2.) inmiddels door de Duitse autoriteiten was afgewezen (zie het door eiser overgelegde document van het Duitse Bundesambt für Migration und Flüchtlinge van 16 juli 2020), en op eisers concrete toelichting ter zitting over de inhoud van dat gesprek en het verdere verloop van die dag (en de periode daarna) in Ter Apel, ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser bij zijn aanmelding in Ter Apel op 10 december 2020 heeft meegedeeld dat hij internationale bescherming wenst en mitsdien een (nieuw) asielverzoek heeft ‘gedaan’. Voor de rechtbank is hierbij in het bijzonder van belang dat er gelet op voormelde stand van zaken voor eiser, die vanwege zijn eerdere aanvraag bekend was met de procedure, geen reden bestond om zich op 10 december 2020 naar het aanmeldcentrum in Ter Apel te begeven en zich daar aan te melden, anders dan voor het doen van een nieuw asielverzoek. 7. Verweerder heeft ter zitting een interne notitie voorgelezen, waaruit blijkt dat de medewerker van verweerder met wie eiser op 10 december 2020 heeft gesproken – wat er precies is besproken staat evenmin in die notitie – bij raadpleging van de interne systemen op 10 december 2020 heeft geconstateerd dat er nog een lopende overdrachtstermijn (en dus een openstaande asielprocedure) was. Kennelijk was verweerder op dat moment nog niet bekend met het feit dat eiser zich op enig moment na het besluit van 1 oktober 2019 (zie overweging 1.2.) naar Duitsland had begeven en daar de asielprocedure had doorlopen, die inmiddels was afgerond. Gelet op deze stand van zaken neemt de rechtbank aan dat eisers (aanmelding
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.