RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 21/3202 V-nummer: [Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van in de zaak tussen [Naam], eiseres, gemachtigde: mr. F.A. van den Berg, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. E. van Hoof. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2021 (het bestreden besluit). De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook was op zitting aanwezig [Naam 2] (referente) en D. Habtab (tolk). Overwegingen 1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 2000 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Referente stelt de moeder van eiseres te zijn en zij heeft op 23 juni 2017 voor haar kinderen – waaronder eiseres – een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis aangevraagd. Op 13 november 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat haar kinderen hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt. Bij besluit van 10 september 2018 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 januari 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020 staat het besluit in rechte vast. 2. Op 24 april 2019 heeft referente voor haar kinderen opnieuw een mvv aangevraagd, waaronder onderhavige aanvraag voor eiseres. Op 11 juni 2019 heeft verweerder deze opvolgende mvv-aanvraag afgewezen onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb (het primaire besluit). Op 24 oktober 2019 heeft verweerder een besluit op het daartegen ingediende bezwaar genomen. Dit besluit is op 11 februari 2020 ingetrokken. Vervolgens heeft er in de bezwaarfase DNA-onderzoek plaatsgevonden bij de gestelde kinderen van referente. Voorts is eiseres op 20 april 2021 via een videoverbinding met de Nederlandse vertegenwoordiging te Addis Abeba in bezwaar gehoord. 3. De mvv-aanvragen voor de broertjes en zusjes van eiseres zijn ingewilligd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres echter ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor nareis, omdat volgens hem de feitelijke gezinsband tussen referente en eiseres is verbroken nadat zij in 2017 na het overlijden van haar oma in Asmara is gaan werken en daar ook woonde. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich geen contra-indicatie voordoet. Volgens verweerder heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat zij zich niet moeiteloos kon handhaven. 4. Eiseres heeft in beroep primair aangevoerd dat zij bij haar opvolgende mvv-aanvraag als minderjarige dient te worden aangemerkt, aangezien zij minderjarig was toen haar moeder uit Eritrea vluchtte en ook minderjarig was toen haar moeder in 2017 in Nederland aankwam. Subsidiair voert eiseres aan dat de feitelijke gezinsband tussen haar en referente niet is verbroken. Verweerder heeft bij de beoordeling van de contra-indicaties onvoldoende rekening gehouden met de vraag in hoeverre eiseres een stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Eiseres heeft slechts kort gewerkt in Asmara. Bovendien moest zij noodgedwongen werken nu haar moeder was gevlucht en haar oma was overleden. Daarnaast woonde zij niet zelfstandig nu zij kost en inwoning kreeg van het gezin waar zij als huishoudelijke hulp werkte. Van een stap naar zelfstandigheid is dus geen sprake, aldus eiseres. De rechtbank overweegt als volgt. 5. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder de opvolgende mvv-aanvraag van referente beoordelen aan de hand van de omstandigheden ten tijde van die aanvraag. Dit betekent dat verweerder rekening moet houden met de omstandigheid dat eiseres niet langer minderjarig is. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat het niet aan verweerder te wijten is dat DNA-onderzoek niet in de eerste mvv-procedure heeft plaatsgevonden, nu de gestelde biologische vader toen niet beschikbaar was. Hetgeen eiseres primair heeft aangevoerd, faalt derhalve. 6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat eiseres in deze opvolgende mvv-procedure als jongvolwassene dient te worden aangemerkt. 7. In het geval van meerderjarige kinderen is sprake van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als het meerderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin. Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc volgt dat verweerder uitsluitend aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, als het meerderjarige kind: jongvolwassen is; met de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.