RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 20/6632 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser, v-nummer: [Nummer] gemachtigde: mr. G.C. Matze en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. E. van Hoof Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september
- Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1994 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 24 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ als slachtoffer-aangever mensenhandel afgewezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
- Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat eiser de aangifte van mensenhandel niet binnen drie maanden na indiening van de asielaanvraag heeft gedaan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aanvullend overwogen dat uit bericht van het OM van 24 juni 2020 blijkt dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk is. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning, zoals opgenomen in B8/3 van de Vc.
- Eiser heeft ter zitting, in afwijking van het beroepschrift, te kennen gegeven dat niet hij slachtoffer is geworden van mensenhandel, maar zijn partner. Er is sprake van een misverstand. Eiser verbindt daaraan de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij - zo begrijpt de rechtbank - geen procesbelang meer heeft. De rechtbank overweegt als volgt.
- De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Procesbelang wordt geacht te ontbreken als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft niet met het beroep kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener ook feitelijk geen betekenis kan hebben. Niet in geschil is dat het bestreden besluit op eiser betrekking heeft. Dat eiser thans, ter zitting, heeft verklaard dat hij per abuis als slachtoffer van mensenhandel is aangemerkt, laat dus onverlet dat eiser met het beroep nog steeds kan bereiken dat hij in het bezit wordt gesteld van de gevraagde vergunning. Het beroep is daarom ontvankelijk.
- Nu evenwel niet langer in geschil is dat eiser geen slachtoffer is van mensenhandel, voldoet eiser niet aan de voorwaarden om voor de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking te komen. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen.
- Het beroep is ongegrond.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 7 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. B8/3/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) Openbaar Ministerie