RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9556 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden). Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ter zitting is gebruik gemaakt van een telefonische tolk, N. Kandeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt de Liberiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag]
- Eiser heeft op 22 december 2019 een asielaanvraag ingediend (hierna: de aanvraag). Een eerdere aanvraag werd niet in behandeling genomen. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat eiser samen met twee jongens, [A] . en [B] , is ontvoerd, dat hij tijdens een sanitaire stop één van zijn ontvoerders met een mes stak waarna hij is ontsnapt en naar Nederland is gevlucht.
- Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Ontvoering.
- Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht en het tweede element ongeloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat het relaas tegenstrijdigheden bevat en dat wisselend en bevreemdend is verklaard. Zo is onder meer verklaard dat eiser niets zag omdat hij geblinddoekt was, maar tevens heeft hij verklaard dat hij niets zag omdat hij een zak over zijn hoofd had. De verklaring dat eiser en de jongens op verschillende plaatsen uit de auto zijn gezet is tegenstrijdig met de verklaring dat de jongens in de auto bleven terwijl eiser naar de wc ging en ontsnapte. Verder is de verklaring dat eiser tijdens de ontvoering een dichtgebonden plastic zak zonder openingen over zijn hoofd had bevreemdend. Eiser wist niet hoe lang dit duurde. Niet valt in te zien hoe eiser dit kan hebben overleefd. Ook komt de verklaring dat eiser andere mensen trof toen hij door de ontvoerders werd afgezet, niet overeen met de verklaring dat hij bij een gebouw werd afgezet om naar de wc te gaan en dat hij daar alleen was met zijn ontvoerder.
- Eiser voert aan dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet tegenstrijdig maar juist aanvullend verklaard over het geblinddoekt zijn. Ook heeft eiser niet tegenstrijdig verklaard over de plek waar de twee andere jongens uit de auto werden gezet. Eiser licht zijn verklaringen duidelijk toe. Ook de verklaringen van eiser over de plastic zak over zijn hoofd worden ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder blijft ten onrechte tegenwerpen dat eiser geen tijdsindicatie kan geven voor wat betreft de plastic zak over zijn hoofd, terwijl hij dit simpelweg niet kan.
- Ten aanzien van de grond dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom hij niets zag overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor (pagina 3) verklaard: ‘Tijdens die verplaatsing hadden ze plastic over me heen gedaan. Ze brachten me naar een oud huis. We waren geblinddoekt zodat we niets konden zien’. Op de vraag of eiser zijn ontvoerders zag antwoordde hij (pagina 9 nader gehoor): ‘Nee, ik kon niets zien. Bovendien was het nacht. In Liberia is er geen verlichting. Dus in de nacht is het erg donker.’ De rechtbank acht de verklaring dat het bovendien nacht en dus donker was, niet in strijd met de eerdere verklaring dat eiser niets zag omdat hij geblinddoekt was/plastic over zich heen had. Gelet echter op hetgeen eiser overigens is tegengeworpen (onder 3 vermeld), heeft verweerder het relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.J.P. Deventer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000.