RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/8023 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2021 in de zaak tussen [eisers] e.a., te [woonplaats] , eisers, en het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder (gemachtigde: M.C. Teng). Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend. Bij besluit van 25 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli
- [eisers] en [A] zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Bij de besluiten heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van vierennegentig bomen op het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] . Verweerder heeft daarbij op grond van artikel 4:11, zesde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland 2016 (APV) een herplantplicht opgelegd in de vorm van een te storten bijdrage van € 17.172 in het herplantfonds van de gemeente Westland. De bomen zijn inmiddels gekapt.
- Eisers betogen dat verweerder de bijdrage in het herplantfonds te laag heeft vastgesteld. Volgens eisers heeft verweerder de afgelopen 15 jaar geen enkel onderhoud aan de gekapte bomen gepleegd. Eisers berekenen dat verweerder hiermee € 45.000,- aan onderhoudskosten heeft uitgespaard. Volgens eisers moet dit bedrag ook worden gestort in het herplantfonds. Verder stellen eisers zich op het standpunt dat de bomen op het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] herplant moeten worden.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan procesbelang in beginsel niet worden aangenomen indien het beroep een vergunning betreft voor een eenmalige activiteit die reeds ten uitvoer is gelegd. Indien sprake is van een kapvergunning en de bomen reeds zijn gekapt, kan met het beroep niet meer worden bereikt hetgeen wordt beoogd, namelijk het voorkomen van de kap van de bomen dan wel bescherming van de natuurwaarden. Volgens eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan dit evenwel anders zijn indien het gestelde belang bestaat uit het verkrijgen van een schadevergoeding of het opnemen van vergunningvoorschriften. Procesbelang bestaat in geval van een kapvergunning bijvoorbeeld indien het beroep mede ziet op de herplant van bomen. 3.
- Nu de bomen al zijn gekapt, kan in zoverre met het beroep niet meer worden bereikt wat eisers beoogden, te weten het verhinderen van de kap. De rechtbank overweegt dat eisers ook opkomen tegen de herplantplicht, zodat in zoverre nog procesbelang bestaat. 3.
- De grond van eisers dat de bijdrage in het herplantfonds € 45.000,- meer zou moeten bedragen, slaagt niet. Een groendeskundige heeft conform het rekenmodel van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen vastgesteld dat de monetaire waarde van de bomen € 17.172,- bedraagt. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan deze vastgestelde waarde. Het betoog dat de uitgespaarde onderhoudskosten ook moeten worden gestort in het herplantfonds slaagt niet, omdat op grond van artikel 4.11, zesde lid, van de APV alleen gekeken wordt naar de monetaire waarde van de bomen zelf. 3.
- De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag waar de bomen herplant moeten worden dat op grond van artikel 4.11, zesde lid, van de APV herplanting moet plaatsvinden in de onmiddellijke omgeving van de gekapte bomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hieraan zal worden voldaan doordat de bomen zowel in de bestaande als in de nieuw te bouwen wijk zullen worden geplaatst. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verweerder heeft daarnaast ter zitting toegezegd bereid te zijn om met de omwonenden van het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] in gesprek te gaan over de plek waar de bomen zullen worden herplant. 3.
- Voor zover eisers gronden hebben aangevoerd tegen de bouw van de woningen en de bouwwerkzaamheden of het bestemmingsplan “De Kreken fase 2” vallen deze buiten de omvang van het geschil.
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. ABRvS 25 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0835.