RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/3381 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2021 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. J. Geelhoed), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz). Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2019 heeft verweerder eisers op straffe van een dwangsom gelast om het gebruik van het pand aan de [weg] [huisnummer] te [plaats] (het pand) voor horeca-activiteiten vóór 8 augustus 2019 te beëindigen en beëindigd te houden. Indien eisers binnen de begunstigingstermijn niet aan de last voldoen, zijn zij een eenmalige dwangsom van € 5.000,- verschuldigd (de eerste last onder dwangsom). Bij besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit I) is een tweede last onder dwangsom is opgelegd. Bij besluit van 31 oktober 2019 (het primaire besluit II) is de eerste last onder dwangsom ingevorderd. Bij besluit van 14 november 2019 (het primaire besluit III) is een last onder bestuursdwang opgelegd. Bij uitspraak van 12 december 2019 van deze rechtbank is met betrekking tot het besluit van 14 november 219 (de last onder bestuursdwang) een voorlopige voorziening toegewezen inhoudende dat voornoemd besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar. Bij besluit van 25 maart 2020, verzonden op 27 maart 2020, (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen voornoemde drie primaire besluiten ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eisers gericht tegen een factuur met nummer B.2.20.0047.001 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nadien hebben zij de gronden aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2021. De gemachtigden van eisers en verweerder zijn verschenen. Overwegingen 1.1 De rechtbank constateert op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken dat eisers tegen de eerste last onder dwangsom geen bezwaar hebben gemaakt, zodat het besluit van 24 juli 2019 onherroepelijk is komen vast te staan. 1.2 Bij een controle van een inspecteur van de Haagse Pandbrigade op 24 september 2019 is vastgesteld dat nog steeds horeca-activiteiten plaatsvinden. De inspecteur constateerde dat de grill voor het vlees aanstond, de oven in gebruik was en broodjes döner werden verkocht aan aanwezige klanten. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit II vastgesteld dat eisers een dwangsom van € 5.000,- hebben verbeurd en dit bedrag van eisers ingevorderd. Daarnaast heeft verweerder bij het primaire besluit I eisers op straffe van een dwangsom gelast om het gebruik van het pand voor horeca-activiteiten vóór 1 november 2019 te beëindigen en beëindigd te houden. Indien eisers binnen de begunstigingstermijn niet aan de last voldoen, zijn zij een eenmalige verhoogde dwangsom van € 10.000,- verschuldigd. 1.3 Bij een controle van een inspecteur van de Haagse Pandbrigade op 7 november 2019 is vastgesteld dat nog steeds horeca-activiteiten plaatsvinden. De inspecteur constateerde dat de grill voor het vlees aanstond, ter plaatse voedsel werd bereid, broodjes döner werden verkocht en de zaak voortdurend door klanten werd bezocht. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit III eisers een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat, indien eisers de overtreding niet vóór 12 december 2019 hebben beëindigd, verweerder het pand zal sluiten en verzegelen. 2. Eisers betogen dat de primaire besluiten I, II en III ten onrechte zijn genomen. Volgens eisers valt het gebruik van het pand voor horeca-activiteiten onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 31.2, onder a, van de planregels van het vigerende bestemmingsplan. Subsidiair stellen eisers dat het strijdige gebruik is toegestaan omdat ingevolge artikel 27, onder d, van de planregels bestaand afwijkend gebruik, dat op de plankaart binnen de bestemming “Wonen” is aangeduid als “detailhandel”, is toegestaan. De overtreding 3. De rechtbank is, gelet op de bevindingen van verweerder zoals omschreven in overweging 1.2 en 1.3, van oordeel dat sprake is van een overtreding. Op grond van het bestemmingsplan “Laakwijk-Schipperskwartier” (bestemmingsplan) rust op het pand de bestemming “Wonen” met specifieke aanduiding “detailhandel”. Het bestemmingsplan is op 8 juli 2009 vastgesteld en op 7 juli 2010 in werking getreden. Naar het oordeel van de rechtbank vallen voormelde activiteiten onder horeca en niet onder detailhandel, zodat de betreffende activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat uit het feit dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt tegen de eerste last onder dwangsom, reeds blijkt dat de overtreding onherroepelijk in rechte vast staat. Bewijslastverdeling 4. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De rechtbank constateert dat eisers hun in overweging 2 genoemde stellingen niet met bewijsstukken hebben onderbouwd. De last onder dwangsom 5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de horeca- activiteiten onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 31.2, onder a, van de planregels vallen dan wel op grond van artikel 27, onder d, van de planregels zijn toegestaan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.