vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/607444 / HA ZA 21-164 Vonnis in incident van 18 augustus 2021 in de zaak van [eiseres] , thans te [plaats 1] (Californië, Verenigde Staten), voorheen: te Den Haag, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] (Louisiana, Verenigde Staten), gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. M.Q.M. Mosk te Amsterdam. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis in incident van 12 mei 2021 en de daarin genoemde stukken (hierna: ‘het tussenvonnis’), waarin partijen is gevraagd zich uit te laten over de in 2.7 en 2.9 genoemde punten (toepasselijkheid Alimentatieverordening en spoorwissel en verwijzing naar Team Familie); de akte uitlaten van de vrouw; de akte uitlaten van de man, met producties 3 tot en met 7. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De feiten in het incident Tussen partijen staan, voor zover van belang voor dit incident, de volgende feiten als onweersproken vast. 2.1. De man (Amerikaanse nationaliteit) en de vrouw (Braziliaanse en Amerikaanse nationaliteit) zijn op [huw.dd.] in [plaats 3] (Brazilië) met elkaar gehuwd. 2.2. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , Washington (Verenigde Staten), (hierna: ‘ [minderjarige 1] ’) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , Californië (Verenigde Staten) (hierna: ‘ [minderjarige 2] ’). 2.3. De man is werkzaam voor Shell. In verband met het werk hebben partijen (met de kinderen) tussen 2006 en 2016 achtereenvolgens in de volgende plaatsen gewoond: - augustus 2006- februari 2009: Bellingham (Washington, Verenigde Staten); - februari 2009 – juli 2012: San Francisco (Californië, Verenigde Staten); - juli 2012 – oktober 2014: Los Angeles (Californië, Verenigde Staten); - oktober 2014 – november 2016: Rio de Janeiro (Brazilië). 2.4. Eind 2016 is het gezin in verband met het werk van de man naar Nederland verhuisd. Vanaf mei 2017 woonde het gezin in een (koop)woning aan de [adres] in Den Haag . 2.5. De man is op 30 september 2018 in verband met zijn werk naar [plaats 2] verhuisd. De vrouw is met de kinderen in Den Haag gebleven. Op 12 juli 2019 is de vrouw met de kinderen naar [plaats 2] gereisd. De man is tijdens het verblijf van de vrouw in [plaats 2] een echtscheidingsprocedure gestart bij de rechtbank in [plaats 2] . Op 29 juli 2019 is de vrouw met de kinderen weer teruggegaan naar Nederland. 2.6. De man heeft in september 2019 in Den Haag een verzoek tot teruggeleiding van de kinderen naar [plaats 2] ingediend op grond van artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. 2.7. Partijen hebben op 12 oktober 2019 een mediation sessie gehad bij een in Nederland gevestigde mediator. Daar hebben zij een temporary agreement gesloten (hierna: ‘Overeenkomst 1’). In Overeenkomst 1 is onder meer opgenomen dat de man een bedrag van € 6.000 zal voldoen voor levensonderhoud in de maanden oktober en november. Ook is een afspraak opgenomen over de betaling van een bedrag van € 3.300 aan schoolgeld voor de kinderen. 2.8. Op 14 februari 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de man mondeling behandeld. Daarna zijn partijen weer naar de Nederlandse mediator gegaan voor crossborder mediation. Deze mediation heeft op 28 mei 2020 opnieuw tot een door beide partijen ondertekende overeenkomst geleid (hierna: ‘Overeenkomst 2’). In Overeenkomst 2 hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over: - een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats 1] (Verenigde Staten), met ingang van juli 2020 (artikel 3.1); - de woonsituatie van de moeder en de kinderen vanaf juli 2021 (een verlengd verblijf in [plaats 1] , of een verhuizing naar Houston, artikel 3.3); - het meewerken aan het verlengen van de paspoorten van de kinderen (artikel 4.5); - de betaling door de man van een maandelijks bedrag van $ 6.250 aan kinder- en partneralimentatie, te betalen vanaf 1 maart 2020 tot 31 juli 2021 (artikel 5). 2.9. De kinderen zijn in het schooljaar 2019-2020 in Nederland naar een internationale school gegaan: [minderjarige 1] naar de International School Wassenaar, [minderjarige 2] naar de internationale afdeling van de Haagsche Schoolvereniging. De kinderen zijn ook enkele maanden van het schooljaar 2020-2021 in Nederland naar school gegaan. 2.10. De vrouw heeft voor het schooljaar 2019-2020 schoolkosten aan de school betaald: een bedrag van € 6.588,53 voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 5.400 voor [minderjarige 2] , opgeteld dus een bedrag van € 11.988,53. 2.11. De man heeft op 28 december 2019 een bedrag van € 1.521,43 aan de school van [minderjarige 1] betaald. Ook heeft de man op 20 augustus 2020 een bedrag van € 521,43 aan de school van [minderjarige 1] betaald. 2.12. Het paspoort van [minderjarige 2] was in 2020 verlopen. De vrouw heeft op 25 augustus 2020 een nieuw paspoort aangevraagd, dat vervolgens op 16 september 2020 is ontvangen. 2.13. De vrouw heeft vanaf eind oktober 2020 een woning gehuurd in [plaats 1] . 2.14. Op 28 oktober 2020 heeft de vrouw de dagvaarding voor deze procedure doen betekenen aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie in Den Haag. Eén dag later (op 29 oktober 2020) is de vrouw samen met de kinderen van Nederland naar [plaats 1] verhuisd. Daar wonen zij momenteel nog steeds. Partijen hebben de woning in Den Haag nog in eigendom. 2.15. De vrouw heeft bij de rechter in [plaats 2] verzoeken ingediend tot het vaststellen van partner- en kinderalimentatie. De vrouw heeft deze verzoeken op 18 maart 2021 ingetrokken, met als motivering dat “these matters have been resolved by the courts in the Netherlands”. 3De vordering in de hoofdzaak 3.1. De vrouw vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank, kort weergegeven: de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 11.988,53 in verband met het schoolgeld van de kinderen voor het jaar 2019-2020; voor recht verklaart dat de man een bedrag van € 1.207,50 schoolgeld voor [minderjarige 2] moet betalen aan de school en de man veroordeelt tot betaling van dit bedrag, hetzij aan de school, hetzij aan de vrouw zodat zij voor de betaling kan zorgen; voor recht verklaart dat de man een bedrag van € 2.795,- aan de vrouw moet betalen aan alimentatie. 3.2. De vrouw legt aan de vorderingen in de hoofdzaak het volgende ten grondslag. schoolkosten 2019-2020 (vordering A) 3.2.1. De vrouw stelt primair dat de man alle schoolkosten van de kinderen (een bedrag van € 11.988,53) moet betalen. De man heeft het inkomen en is gehouden om de vrouw en de kinderen te onderhouden, en de schoolkosten van de kinderen te betalen. De man heeft in eerste instantie de bedragen overgemaakt op een (Nederlandse) bankrekening op zijn naam. Van deze rekening werden ook de woonlasten voldaan. Het restant was onvoldoende om alle kosten van levensonderhoud (inclusief de schoolkosten) te voldoen. Vanaf maart 2020 geldt dat ook de alimentatie onvoldoende was voor de schoolkosten. Deze zitten ook niet in de bijdrage verdisconteerd. Subsidiair stelt de vrouw dat partijen in Overeenkomst 1 zijn overeengekomen dat de man de kosten van [minderjarige 1] en de vrouw de kosten van [minderjarige 2] moet voldoen. De man moet dus het door de vrouw betaalde bedrag van € 6.588,53 voor de school van [minderjarige 1] betalen. Meer subsidiair stelt de vrouw dat partijen in Overeenkomst 1 zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 3.300 zou betalen voor het schoolgeld voor [minderjarige 1] . De man heeft slechts een bedrag van € 1.521,43 betaald en moet daarmee het restant van € 1.778,57 nog betalen. schoolkosten 2020-2021 (vordering B) 3.2.2. De vrouw stelt dat partijen in Overeenkomst 2 zijn overeengekomen dat de man verplicht is mee te werken aan het verkrijgen van een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] . De man heeft het toestemmingsformulier voor het aanvragen van een paspoort veel te laat opgestuurd, zodat de vrouw in juli 2020 niet naar de Verenigde Staten kon reizen en de kinderen in het leerjaar 2020-2021 nog enkele maanden in Nederland naar school hebben moeten gaan, terwijl er in de Verenigde Staten geen schoolkosten zijn. De schoolkosten zijn door toedoen van de man ontstaan. Dit is schade, waarvoor de man op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is. Het school geld voor 2020/2021 van de school van [minderjarige 2] is nog niet betaald. De man moet het openstaande bedrag voor [minderjarige 2] aan de school betalen. alimentatie (vordering C) 3.2.3. De vrouw stelt dat partijen in Overeenkomst 2 zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2020 maandelijks een bedrag van $ 6.250 aan kinder- en partneralimentatie zal betalen. De man heeft de eerste helft van de betaling van maart 2020 op zijn eigen rekening betaald, in plaats van op de rekening van de vrouw. De man heeft daarmee voor dit deel niet bevrijdend betaald, aldus – telkens – de vrouw. 4De beoordeling in het incident toepasselijkheid Alimentatieverordening 4.1. Het geschil in dit incident draait om de vraag of deze rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de door de vrouw ingestelde vorderingen. De man heeft zich in het incident op het standpunt gesteld dat dit niet zo is en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd moet verklaren. 4.2. De rechtbank stelt het volgende voorop. De man en de vrouw hebben allebei de Amerikaanse nationaliteit, evenals de kinderen. Zij verbleven tijdens de voor dit geding relevante periode (juli 2019- oktober 2020) in respectievelijk de Verenigde Staten (de man) en Nederland (de vrouw en de kinderen). Het geschil heeft daarmee internationale kenmerken. Bovendien vertonen de vorderingen van de vrouw kenmerken van het voldoen van een onderhoudsverplichting. De vrouw vordert immers betaling van een bedrag aan partner- en kinderalimentatie en schoolgeld van de kinderen. De rechtbank heeft daarom in het tussenvonnis ambtshalve de vraag opgeworpen of de bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van bevoegdheidsregels van de Alimentatieverordening (EG) 4/2009 van 18 december 2008 (hierna: ‘Alimentatieverordening’). 4.3. Partijen zijn het – terecht – erover eens dat de Alimentatieverordening van toepassing is op vordering A (primair), die is gebaseerd op het inkomen van de man. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of de Alimentatieverordening ook van toepassing is op vordering A (voor zover het de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag betreft) en vorderingen B en C. Meer concreet ziet het geschil op de vraag of de vrouw met juistheid betoogt dat de rechtsmacht van de rechtbank voor die vorderingen niet aan de hand van de Alimentatieverordeningen maar aan de hand van (artikel 6 sub a van) het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet worden beoordeeld, omdat de grondslag van die vorderingen een verbintenis uit een overeenkomst is (namelijk Overeenkomst 1 en/of Overeenkomst 2). De rechtbank volgt de vrouw niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt. 4.4. De Alimentatieverordening is met ingang van 18 juni 2011 van toepassing binnen de lidstaten van de Europese Unie. De Alimentatieverordening regelt de bevoegdheid, het toepasselijk recht (door verwijzing naar het “Haags Protocol 2007” in artikel 15 van de -Alimentatieverordening), de erkenning en ten uitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen die hun oorsprong vinden in het familierecht. Vóór 18 juni 2011 was de rechterlijke bevoegdheid in zulke geschillen geregeld in de Brussel 1 Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: ‘Brussel 1’). 4.5. De Alimentatieverordening heeft volgens de inleidende overwegingen tot doel dat een onderhoudsgerechtigde in een lidstaat gemakkelijk een beslissing kan verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit, uitvoerbaar is in een andere lidstaat. Daarmee wordt de daadwerkelijke invordering van levensonderhoud in grensoverschrijdende gevallen gewaarborgd en dus ook het vrije verkeer van personen in de Europese Unie vergemakkelijkt. Anders dan onder Brussel 1 het geval was, zijn de bevoegdheidsregels van de Alimentatieverordening ook van toepassing als de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een land buiten de Europese Unie heeft (zoals de Verenigde Staten). Voor geschillen die materieel onder het bereik van de Alimentatieverordening vallen, regelt de Alimentatieverordening welke rechter bevoegd is. Aan de nationale bevoegdheidsregels (zoals die van Rv) komt in dat geval geen betekenis meer toe (zie voor dit één en ander: inleidende overwegingen 9, 10, 15 en 45 van de Alimentatieverordening). 4.6. In artikel 1 lid 1 van de Alimentatieverordening is bepaald dat de verordening van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap. In inleidende overweging 11 van de Alimentatieverordening is benadrukt dat alle onderhoudsgerechtigden die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap binnen de werkingssfeer van de Alimentatieverordening moeten vallen, dit om de gelijke behandeling van onderhoudsgerechtigden te garanderen. 4.7. Voor de toepassing van de Alimentatieverordening moet het begrip “onderhoudsverplichting” autonoom worden uitgelegd (inleidende overweging 11). De Europese wetgever heeft niet beoogd om het materiële toepassingsgebied van de Alimentatieverordening te beperken ten opzichte van haar voorgangers (Brussel 1 en het EEX-verdrag). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna in beide gevallen aan te duiden als: HvJ-EU) heeft eerder in verband met de uitleg van het begrip ‘onderhoudsverplichting’ in artikel 5, aanhef en sub 2 EEX-Verdrag overwogen dat sprake is van een onderhoudsverplichting, indien een prestatie bedoeld is om het onderhoud van een behoeftige echtgenoot te verzekeren, of indien de behoeften en de middelen van elk van de echtgenoten in aanmerking worden genomen, voor de bepaling van het bedrag ervan. Het is niet van belang dat de betaling in de vorm van een eenmalig bedrag geschiedt. Ook deze vorm van betaling kan het karakter van een onderhoudsvoorziening hebben, wanneer het bedrag van het kapitaal zodanig is vastgesteld, dat een vooraf bepaald inkomstenniveau wordt verzekerd (HvJ-EU 27 februari 1997, ECLI:EU:C:1997:91). 4.8. Ten slotte is van belang dat geschillen die materieel zien op een onderhoudsverplichting, niet vallen onder het bereik van de alternatieve bevoegdheidsregeling ten aanzien van ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in artikel 7 lid 1 sub a van de Brussel 1-bis Verordening (EU) 1215/2012. Reden daarvoor is dat geschillen over onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, buiten het materiële toepassingsgebied van de Brussel 1-bis Verordening vallen (zie artikel 1 lid 2, onder e Brussel 1-bis en mr. S.J. Schaafsma, Tekst & Commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aantekening 3.c bij artikel 7 Brussel 1-bis -Verordening). Daaruit volgt dat binnen de Europeesrechtelijke bevoegdheidsregelingen een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds geschillen over verbintenissen uit overeenkomst en anderzijds geschillen over familierechtelijke onderhoudsverplichtingen. 4.9. De rechtbank is tegen de achtergrond van het vorenstaande van oordeel dat de omstandigheid dat de onderhoudsverplichtingen waarvan de vrouw in dit geding nakoming vordert zijn vervat in een tussen de man en de vrouw gesloten overeenkomst, niet wegneemt dat deze onder de werkingssfeer van de Alimentatieverordening vallen. Niet de vorm waarin de onderhoudsverplichting is gegoten (een overeenkomst) is beslissend, maar het feit dat het materieel gezien om een onderhoudsverplichting gaat. Dit strookt ook met het doel van de Alimentatieverordening om, ter waarborging van de gelijke behandeling van onderhoudsgerechtigden, alle onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap binnen de werkingssfeer van de Alimentatieverordening te laten vallen. 4.10. De rechtbank is tevens van oordeel dat alle door de vrouw ingestelde vorderingen materieel op een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 1 lid 1 van de Alimentatieverordening zien. Het onderwerp van de vorderingen betreft immers de betaling van kinder- en partneralimentatie en het bijdragen in de kosten van opvoeding van de kinderen (betaling van schoolgeld). Weliswaar voert de vrouw als juridische grondslag voor vordering B aan dat het schoolgeld van [minderjarige 2] voor het leerjaar 2020/2021 schade is, waarvoor de man op grond van toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is (omdat de man niet tijdig heeft voldaan aan zijn verplichting tot meewerken aan de aanvraag van een nieuw paspoort voor [minderjarige 2] ), maar dat neemt niet weg dat ook deze vordering in de kern ziet op een familierechtelijke onderhoudsverplichting. De feitelijke vraag die uiteindelijk moet worden beantwoord, is wie van partijen in welke mate moet bijdragen aan het schoolgeld. Dat ook dit onderdeel van het geschil overwegend kenmerken heeft van een geschil over een onderhoudsverplichting, volgt ook uit het feit dat de man kennelijk als verweer heeft aangevoerd dat de vrouw het schoolgeld moet voldoen van de overeengekomen kinderalimentatie (dagvaarding, onder 35, weergave van het verweer van de man). 4.11. Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsmacht van de rechtbank voor alle vorderingen moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Alimentatieverordening, en niet aan de hand van de bepalingen van Rv. gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde 4.12. Ter beantwoording van de vraag of deze rechtbank op grond van de Alimentatieverordening rechtsmacht heeft, wordt als volgt overwogen. In artikel 3 van de Alimentatieverordening is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.