Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/616622 / KG ZA 21-784 Vonnis in kort geding van 23 september 2021 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie 1] , eiser, advocaat mr. W.B.O. van Soest te Rotterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Peerenboom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties; - de door de Staat overgelegde producties; - de op 9 september 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van 19 maart 2019 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar wegens het medeplegen van moord. Dat arrest is op 4 februari 2020 onherroepelijk geworden. [eiser] is sinds 6 juni 2016 gedetineerd. Sinds 13 november 2019 is [eiser] door het Operationeel Overleg (hierna: OO) geplaatst op de lijst van gedetineerden voor wie een vlucht- en/of maatschappelijk risico geldt (hierna: de GVM-lijst). Het risicoprofiel van [eiser] is daarbij vastgesteld op hoog. 2.2. [eiser] heeft sinds zijn hechtenis in verschillende penitentiaire inrichtingen en op diverse afdelingen gedetineerd gezeten. Thans is [eiser] gedetineerd in de PI [locatie 1] op de AIT (Afdeling Intensief Toezicht). Daaraan voorafgaand zat [eiser] gedetineerd in de PI [locatie 2] op de afdeling BPG (Beheersproblematische Gedetineerden). Daar was [eiser] geplaatst bij selectiebeslissing van 5 januari 2021. Die beslissing was (mede) gebaseerd op een incident, waarbij een medegedetineerde van [eiser] is mishandeld door een andere medegedetineerde, waarbij [eiser] als opdrachtgever is genoemd. In een uitspraak van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) van 10 juni 2021 is laatstgenoemde selectiebeslissing echter vernietigd, omdat deze bij afweging van alle in aanmerking komende belangen als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt. Dat is onder meer het geval omdat onvoldoende is gebleken dat [eiser] de opdrachtgever zou zijn van voormelde mishandeling, die daarom niet ten grondslag kan worden gelegd aan het verblijf van [eiser] op de BPG-afdeling. Er is daarom een nieuwe selectiebeslissing genomen op 21 juni 2021. Bij de beslissing tot plaatsing van [eiser] in PI [locatie 1] is onder meer acht geslagen op de plaatsing van [eiser] op de GVM-lijst met het risicoprofiel hoog, waar deze PI voor is aangewezen. Bovendien beschikt deze PI over een AIT en geadviseerd wordt om [eiser] op die afdeling te plaatsen waar toezicht kan worden uitgeoefend op de opgelegde maatregelen behorend bij genoemd risicoprofiel. Voorafgaand aan de plaatsing van 5 januari 2021 zat [eiser] onder meer gedetineerd in PI [locatie 3] op de AIT (vanaf 16 april 2020) en in PI [locatie 2] , afdeling BPG (vanaf 17 september 2019). 2.3. De laatste drie overleggen van het OO, waar [eiser] is besproken, hebben plaatsgevonden op 10 februari 2021, 14 juli 2021 – wat een vervroegde evaluatie betrof – en 8 september 2021. Op al deze overleggen is besloten tot een verlenging van de GVM-plaatsing met het risicoprofiel hoog. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, te bepalen – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – dat de Staat met onmiddellijke ingang de plaatsing van [eiser] op de AIT ongedaan maakt en [eiser] plaatst op een reguliere afdeling, niet zijnde een AIT, en dat de Staat met onmiddellijke ingang de GVM-status van [eiser] ongedaan maakt dan wel deze wijzigt van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft de aan [eiser] toegekende GVM-status hoog volstrekt onvoldoende onderbouwd en geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat zijn recente verleden die status rechtvaardigt. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat zich jegens hem schuldig maakt aan onrechtmatig handelen. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval gezien het gestelde spoedeisend belang de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. 4.2. [eiser] is echter niet-ontvankelijk in zijn vordering aangaande zijn plaatsing op de AIT. De beslissing daartoe is genomen door de directeur van de PI. Er is een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang om tegen die beslissing op te komen, waar [eiser] ook gebruik van heeft gemaakt. Ten tijde van de mondelinge behandeling in dit kort geding had de zitting in die procedure al plaatsgevonden en was [eiser] in afwachting van een uitspraak op het door hem ingediende beklag tegen die beslissing. [eiser] heeft ter zitting in dit kort geding ook erkend dat dat de aangewezen procedure is om tegen die beslissing op te komen, zodat hij niet in die vordering kan worden ontvangen. 4.3. In zijn vordering aangaande zijn GVM-status is [eiser] wel ontvankelijk, nu aan hem geen andere rechtsgang ter beschikking staat om de door hem beoogde verwijdering van de GVM-lijst dan wel wijziging van zijn status te bewerkstelligen. 4.4. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van die vordering voorop dat aan het OO, dat beslist of ten aanzien van een gedetineerde sprake is van een verhoogd, hoog of extreem vlucht- en/of maatschappelijk risico, een grote mate van vrijheid toekomt, hetgeen met zich brengt dat een beslissing van het OO in rechte slechts marginaal kan worden getoetst. Voor toewijzing van de vordering van [eiser] is dan ook alleen plaats indien in dit kort geding moet worden geconcludeerd dat het OO in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen met de status hoog. Die conclusie kan, in het licht van de toelichting die de Staat op die beslissing heeft gegeven, niet worden getrokken. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5. Er zijn diverse criteria die, zowel losstaand als in samenhang, aanleiding kunnen zijn om een gedetineerde op de GVM-lijst te plaatsen (zoals staat vermeld in de Circulaire ‘Gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico’ van 8 juli 2021, die geldt vanaf 1 augustus 2021). De daartoe behorende criteria van (risico
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.