Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/088463-21 en 09/111540-20 (TUL) Datum uitspraak: 29 oktober 2021 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats] , [adres 1] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 juli 2021 (pro forma) en 15 oktober 2021 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Ariese en van hetgeen door de raadsman mr. J. Hemelaar naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 oktober 2021- ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode 4 oktober 2020 tot en met 30 maart 2021 te Leiden en/of Leiderdorp, in elk geval in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , door(meermalen) direct en/of indirect via een of meer Instagram accounts en/of via Telegram, althans via social media, beledigende en/of intimiderende berichten te versturen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of bekenden en/of vrienden van die [slachtoffer 1] met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;2. hij in of omstreeks de periode 4 oktober 2020 tot en met 3 februari 2021 te Leiden en/of Leiderdorp en/of Zoeterwoude, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling, immers heeft hij opzettelijk een of meer berichten op internet geplaatst en/of via social media verspreid, met de teksten “ [slachtoffer 2] ik ga je vangen en total loss mishandelen” en/of [slachtoffer 2] ik ga op je gezicht kerven” en/of “ [slachtoffer 2] ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 3. hij op of omstreeks 19 november 2020 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] , als hoofdagent werkzaam bij de politie Eenheid Den Haag, gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een bericht op het platform Telegram te plaatsen met de tekst: "Rechercheur [slachtoffer 3] werkzaam op politiebureau leiden/den haag vind het ook leuk om te liegen en bedreigen en verstoppen van bewijsmateriaal zodat je geen eerlijk proces krijgt. Ook 500€ voor haar adres. Iets wat mollige dame met kort bruin haar. Stuur PB;" 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte ten aanzien van de feiten geen verweer gevoerd. 3.3 De beoordeling van de tenlastelegging Ten aanzien van feit 1: Op 13 november 2020 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van belaging door de verdachte. Zij verklaarde dat de verdachte rond 20 oktober 2020 weer zou zijn begonnen haar te belagen door via sociale media diverse berichten te sturen naar haar vrienden en kennissen. Meer concreet maakte zij melding van een bericht dat na laatstgenoemde datum is verstuurd naar [naam 1] , een kennis van [slachtoffer 1] , waarin de verdachte aangeefster [slachtoffer 1] indirect heeft bedreigd met: “Maar is goed nu weet ik dat ik haar dood ga maken ooit.” [slachtoffer 2] , een vriend van [slachtoffer 1] , heeft verbalisant [slachtoffer 3] laten weten dat hij berichten heeft ontvangen van de verdachte die zowel aan hem als [slachtoffer 1] waren gericht. Deze berichten zijn (blijkens de screenshots) verstuurd rond 16 en 18 oktober 2020 vanuit de Instagram-accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ en houden in: - “ “jij bent de lul. Mee liegen helpen mij een leugen te laten leven. Is goed. Hoop dat die kutje het waard voor je was. We gaan zien wat wat is. 1 voor 1.”; - “ “Die kanker vriendin van je is ook de lul die ga ik ook goed een lesje leren wanneer ik haar vang”; - “ “Ik ga je straffen voor wat je hebt gedaan. Elke keer wanneer je de rest van jou leven in de spiegel kijkt ga je aan mij herinnerd worden.” en - “ “Ik ga jullie schade geven en een trauma voor de rest van jullie leven zodat je mij nooit gaat vergeten; Als je weer terug wilt naar je oude leven waar je niet hele tijd paranoia hoeft te zijn of om je schouder moet kijken continu wanneer je buiten bent kom je jezelf bij mij melden en laat je mij mijn ding doen en dan mag je daarna heelhuids naar huis en hebben we het er met niemand over enige manier anders niet; Anders dit rest van je leven totdat ik je vang; En daarna is het klaar; Word je al moe [slachtoffer 2] ?” Voorts heeft verbalisant [slachtoffer 3] van [naam 2] , een vriendin van [slachtoffer 1] , screenshots ontvangen van berichten die afkomstig zijn van de Instagram-accounts ‘ [accountnaam 3] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’, zoals “Ik hoop voor je dat je mij nooit tegenkomt” en “Stiekem in het geheim je masker afdoen en jezelf onthullen aan mij door jezelf borderlinertje te noemen en zogenaamd overmatig alcoholgebruik door mij he.” Verbalisant [slachtoffer 3] merkt daarbij op dat deze berichten in eerste instantie gericht zijn aan [naam 2] , maar later in het gesprek gericht zijn aan [slachtoffer 1] . Ook [naam 3] , een vriend van [slachtoffer 1] , heeft in de periode van oktober 2020 tot januari 2021, diverse berichten ontvangen. [naam 3] verklaart daarover dat dit dreigementen betroffen richting hem en [slachtoffer 1] . Deze berichten zijn afkomstig van de Instagram-accounts ' [accountnaam 4] ' en ' [accountnaam 5] ', en houden onder meer in: “Nu ook aan het spacen van de cocaïne borderline aan het doen weet ik jij schijnheilige drugsverslaafde leugenaar. Daarom ga ik je ook vangen duister kanker junk” en “[naam 3] ik ga je vangen morgen of deze week ergens?” Op 1 april 2021 heeft [slachtoffer 1] opnieuw aangifte gedaan van belaging. Zij verklaart dat zij in de periode van 30 januari 2021 tot en met 12 maart 2021 diverse berichten heeft ontvangen afkomstig van de Instagram-accounts ' [accountnaam 6] ', ‘ [accountnaam 7] ’, ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 10] ’, zoals: “[slachtoffer 1] kom. laat mij jou is 1. goede. rechter. platte hand geven.” Uit de historische gegevens van het Instagram-account ‘ [accountnaam 5] ’ bleek dat dit account op 4 oktober 2020 is aangemaakt.Uit de historische gegevens van de Instagram-accounts ' [accountnaam 9] ', ' [accountnaam 7] ', ' [accountnaam 6] ' en ' [accountnaam 8] ' bleek dat deze accounts zijn aangemaakt middels de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . Uit onderzoek is gebleken dat verdachte gebruik maakt van het [e-mailadres 2] . Bovendien is bij alle accounts gebruik gemaakt van exact dezelfde IP adressen op exact dezelfde data en tijdstippen als die zijn gebruikt bij het Instagram-account ' [accountnaam 5] '. Alle accounts zouden tevens zijn voorzien van hetzelfde telefoonnummer. Het is volgens de verbalisant mogelijk dat het om hetzelfde account gaat, waarvan de naam meerdere keren is gewijzigd. Er is tevens een onderzoek verricht naar de telefoon van de verdachte. Hieruit is gebleken dat op deze telefoon diverse accounts zijn toegevoegd, waaronder ‘ [accountnaam 11] ’. Verder is de HP laptop van de verdachte onderzocht. Hieruit is gebleken dat het Instagram-acount ‘ [accountnaam 4] ’ op 7 januari 2021 om 07:54 uur en op 29 maart 2021 om 20:27 uur, een dag voor de aanhouding, is bezocht. De verdachte heeft verklaard dat hij het account ‘ [accountnaam 8] ’ heeft aangemaakt. Op 1 april 2021 heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij [slachtoffer 1] weer lastig viel in oktober. Op de opmerking van de rechter-commissaris dat ook haar vrienden en bekenden door hem zijn benaderd heeft de verdachte verklaard dat dit klopt. De verdachte heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft lastiggevallen in oktober door berichten te sturen naar [slachtoffer 2] , en door vrienden van [slachtoffer 1] te benaderen. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de door [slachtoffer 1] en bekenden van haar ontvangen berichten komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte deze berichten heeft verstuurd, gelet op het feit dat zijn e-mailadres is gebruikt bij het aanmaken van de Instagram-accounts ' [accountnaam 9] ', ' [accountnaam 7] ', ' [accountnaam 6] ' en ' [accountnaam 8] '. Bovendien is bij alle accounts gebruik gemaakt van dezelfde IP-adressen op exact dezelfde data en tijdstippen als die zijn gebruikt bij het Instagram-account ' [accountnaam 5] ' en zijn middels de telefoon van de verdachte diverse accounts toegevoegd, waaronder ‘ [accountnaam 11] ’. Verder overweegt de rechtbank in dit verband dat de berichten, zoals hierboven geciteerd, een dusdanig specifieke en kenmerkende schrijfstijl hebben, dat de verdachte op basis van deze schrijfstijl te linken is aan alle hiervoor genoemde accounts. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de persoon is geweest die achter de accounts ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 2] ’, ‘ [accountnaam 3] ’ ' [accountnaam 4] ', ' [accountnaam 5] ', ' [accountnaam 6] ', ‘ [accountnaam 7] ’, ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 10] ’ en ‘ [accountnaam 11] ’ zit. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de hiervoor beschreven handelingen van de verdachte zijn te kwalificeren als belaging van [slachtoffer 1] . Bij die beoordeling zijn volgens vaste jurisprudentie verschillende factoren van belang zoals de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Voor een bewezenverklaring is ook van belang dat deze contacten plaatsvinden, terwijl op enig moment kenbaar is gemaakt dat deze contacten niet langer gewenst zijn. Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, komt naar voren dat de verdachte over een lange periode stelselmatig op een zeer belastende en indringende manier heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen en daarmee haar aandacht heeft opgeëist. De verdachte heeft niet alleen contact met [slachtoffer 1] gezocht, maar ook vele berichten naar haar vrienden gestuurd. Door zo te handelen, heeft de verdachte bij [slachtoffer 1] angst aangejaagd en haar gevoel voor veiligheid ernstig aangetast. Weliswaar zijn de contactmomenten in de ten laste gelegde periode niet steeds in dezelfde mate geweest, maar de verdachte is de gehele periode op wisselende momenten contact blijven zoeken en de intensiteit waarmee hij dit deed en de impact die dat heeft gehad op [slachtoffer 1] is groot. Als belangrijke omstandigheid in dit verband weegt de rechtbank mee dat aan de verdachte op 6 augustus 2020 een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] was opgelegd. Hieruit volgt dat het de verdachte zonneklaar moet zijn geweest dat [slachtoffer 1] geen enkel contact met hem wilde. Al met al heeft de verdachte daarmee een aanmerkelijke en ingrijpende verstoring van het persoonlijke leven van [slachtoffer 1] teweeg gebracht, die naar het oordeel van de rechtbank dan ook gekwalificeerd kan worden als belaging. Ten aanzien van feit 2: [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in de periode van oktober 2020 en november 2020 berichten heeft ontvangen van het Instagram-account ‘ [accountnaam 5] ’ en op 24 december 2020 berichten heeft ontvangen van de afzender [accountnaam 4] , waarin onder andere stond: - “ “Ik ga je vangen, [slachtoffer 2] ik ga je vangen en total loss. Mishandelen. Ik heb je al stiekum van werk naar huis gevolgd. [slachtoffer 2] ik ga je vangen ontvoeren en daarna paar dagen laten gijzelen en je laten neuken in een busje. [slachtoffer 2] ik gaop je gezicht kerven. IK GA JE. [slachtoffer 2] hel ik maak JE DOOD. [slachtoffer 2] IK MAAK JE DOOD. WAT IS ER VRIEND, denk je dat ik bang ben. ik ben alleen bang voor god en mijn ouders.” De verdachte heeft verklaard dat hij de berichten die op 10 februari 2021 naar aangever [slachtoffer 2] zijn verstuurd, te weten: “ , kk junk stuur is je adres of locatie en sportscholen nog lang dicht”, dat hij deze berichten heeft verstuurd omdat ‘ [slachtoffer 2] ’ [slachtoffer 1] heeft geholpen met liegen en uitlokken. Bij de rechter-commissaris bevestigt de verdachte op 1 april 2021 dat hij in oktober bedreigende teksten heeft verstuurd naar [slachtoffer 2] . Oordeel van de rechtbank: Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en het feit dat de accounts ‘ [accountnaam 5] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’, zoals de rechtbank onder feit 1 heeft overwogen, zijn toe te schrijven aan de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van feit 3: [slachtoffer 3] , hoofdagent van de politie, Eenheid Den Haag, heeft verklaard dat zij door haar teamleiding op de hoogte is gesteld van een bedreiging van haar persoonlijke levenssfeer doordat op Telegram informatie was gevraagd over het bekend maken van haar privéadres. Zij was sinds april 2020 als rechercheur belast met het onderzoek in een eerdere stalkingszaak waarbij de verdachte betrokken was. Een paar weken voor de aangifte was een officiële klacht tegen [slachtoffer 3] ingediend door de verdachte. Verdachte vond dat [slachtoffer 3] bewijsmateriaal had weggemaakt en niet mee had genomen in het onderzoek. De klacht is ongegrond verklaard. Met de telefoon van verdachte is in de applicatie Telegram op 19 november 2020 een bericht verzonden, inhoudende: “Rechercheur [slachtoffer 3] werkzaam bij politiebureau leiden/den haag vind het ook leuk om te liegen en bedriegen en verstoppen van bewijsmateriaal zodat je géen eerlijk proces krijgt. Ook 500€ voor haar adres. Iets wat mollige dame met kort bruin haar. Stuur pb.” Dit bericht is verstuurd via het Telegramaccount ‘ [accountnaam 12] ’ in een chatgroep met 39513 leden. De verdachte heeft verklaard dat hij een Telegramaccount met de naam ‘ [accountnaam 12] ’ heeft aangemaakt. Oordeel van de rechtbank Gelet op het feit dat de verdachte heeft verklaard dat het Telegramaccount ‘ [accountnaam 12] ’ van hem is, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het ten laste gelegde bericht heeft verstuurd. De bewoordingen van het bericht zijn naar het oordeel van de rechtbank wat aard en inhoud betreft kennelijk gericht op aanranding van de eer en goede naam van Hoofdagent [slachtoffer 3] . 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1. hij in de periode 4 oktober 2020 tot en met 30 maart 2021 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , door meermalen direct en indirect via sociale media, beledigende en intimiderende berichten te versturen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en bekenden en vrienden van die [slachtoffer 1] met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;2. hij in de periode 4 oktober 2020 tot en met 3 februari 2021 in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 2], heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling, immers heeft hij opzettelijk een of meer berichten via sociale media verstuurd, met de teksten “ [slachtoffer 2] ik ga je vangen en total loss mishandelen” en/of [slachtoffer 2] ik ga op je gezicht kerven” en/of “ [slachtoffer 2] ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 3. hij op 19 november 2020 in Nederland, opzettelijk, de eer en goede naam van een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] , als hoofdagent werkzaam bij de politie Eenheid Den Haag, ter zake de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van een geschrift en afbeeldingen verspreid, door een bericht op het platform Telegram te plaatsen met de tekst: "Rechercheur [slachtoffer 3] werkzaam op politiebureau leiden/den haag vind het ook leuk om te liegen en bedreigen en verstoppen van bewijsmateriaal zodat je geen eerlijk proces krijgt. Ook 500€ voor haar adres. Iets wat mollige dame met kort bruin haar. Stuur PB;" Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde 4.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte ten aanzien van feit 3 een beroep gedaan op de bijzondere rechtvaardigingsgrond van artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). Daartoe is aangevoerd dat de verdachte gemeend heeft een misstand aan te geven, omdat hij de volle overtuiging heeft gehad dat [slachtoffer 3] opzettelijk materiaal heeft achtergehouden in zijn strafzaak. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een geslaagd beroep op artikel 261 derde lid Sr nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat het algemeen belang de telastlegging eiste. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de rechtvaardigingsgrond in artikel 261, derde lid, van het Sr niet kan slagen en overweegt daartoe het volgende. Bij de strafbaarstelling van smaad in artikel 261 Sr staat de beperking van de uitingsvrijheid ten dienste van de bescherming van de eer en goede naam van personen voorop. Slechts bij wijze van uitzondering – zoals neergelegd in het derde lid van dat artikel –, is de aantasting van die eer en goede naam niet strafbaar. Voorwaarden voor een geslaagd beroep op die uitzondering zijn dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het door hem te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste. Nog afgezien van de vraag of het algemeen belang eist dat een dergelijke waarschuwing op deze wijze wordt afgegeven en of alternatieve wegen niet meer aangewezen zouden zijn wanneer de verdachte zich zorgen maakt over de rechtvaardigheid, geldt in deze zaak eerst en vooral dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het door hem te laste gelegde waar was. Anders gezegd, uit niets is gebleken dat [slachtoffer 3] het leuk vindt om te liegen, te bedriegen en bewijsmateriaal te verstoppen. De telastlegging, oftewel de beschuldiging aan het adres van [slachtoffer 3] , is gebaseerd op speculaties en de klacht van de verdachte tegen [slachtoffer 3] in dit verband is afgewezen. Van een te goeder trouw handelende persoon als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Sr is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Reeds daarom komt de verdachte geen geslaagd beroep op de exceptie toe. Het feit is dus strafbaar. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is ook strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.