vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 3 november 2021 in zaak C/09/577052 HA ZA 19/759 van [eiseres ] te [plaats 1] , eiseres, advocaat: mr. A.J.R. Oude Middendorp te Enschedé, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat: mr. A. Th. M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden aangeduid als [eiseres ] en de Staat. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 5 juli 2019, met producties; de rolbeslissing met de opdracht ex art 120 lid 4 Rv aan [eiseres ] ; de akte houdende nadere substantiëring/bewijs van [eiseres ] ; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis waarin een comparitie van partijen is gelast; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 augustus 2020; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 april 2021; de akte houdende uitlating van [eiseres ] ; de akte houdende uitlating en overlegging producties van de Staat; de antwoordakte van [eiseres ] ; de antwoordakte uitlaten producties van de Staat. 1.2. De spreekaantekeningen die partijen tijdens de op 23 april 2021 gehouden comparitie van partijen hebben voorgedragen behoren tot de processtukken. Het proces-verbaal van die comparitie van partijen is met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. De opmerkingen over dit proces-verbaal van 28 mei 2021 (de Staat) en 15 juni 2021 ( [eiseres ] ) behoren tot de processtukken. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze opmerkingen. 1.3. De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen paragraaf III (Verjaring van de primaire vordering, ACE-studies) van de antwoordakte van [eiseres ] . De rechtbank deelt de zienswijze van de Staat dat deze passages in de antwoordakte het karakter van een verkapte conclusie hebben en betrekt deze niet in haar beoordeling. 1.4. Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 1.5. In de dagvaarding heeft [eiseres ] naast de Staat, de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) in rechte betrokken. De zaak tegen JBRR is op eenstemmig verzoek van partijen doorgehaald. 2De feiten 2.1. [eiseres ] is op [geboortedag] 1950 geboren. Op [dag] 1952 is [eiseres ] door de officier van justitie voorlopig toevertrouwd aan de Voogdijraad te Rotterdam . De rechtbank Rotterdam heeft de voorlopige toevertrouwing op 12 december 1952 bekrachtigd. De ouders van [eiseres ] zijn eerst geschorst in de uitoefening van de ouderlijke macht. Vervolgens, in 1954, is haar moeder ontzet en haar vader ontheven uit de ouderlijke macht. Daarbij heeft de rechtbank Rotterdam de voogdij toegekend aan de Vereniging Liefdewerk Kinderbescherming te [plaats 2] en een toeziend voogd benoemd. 2.2. In de periode volgend op de (voorlopige) toevertrouwing heeft [eiseres ] eerst verbleven in Huize ‘ [I] ’ te [plaats 2] . Van 1954 tot 1965 was [eiseres ] ondergebracht bij een pleeggezin in [plaats 3] . Daarna is [eiseres ] geplaatst in Huize [II] te [plaats 4] . 2.3. Op 16 augustus 2010 is de Commissie onderzoek seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst (naar haar voorzitter in de regel aangeduid als de ‘Commissie Samson’) ingesteld. De Commissie Samson deed onderzoek naar signalen van seksueel misbruik van kinderen die op gezag van de overheid vanaf 1945 in instellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst. Op of omstreeks 27 januari 2011 heeft [eiseres ] bij de Commissie Samson een melding gedaan van door haar ondervonden seksueel misbruik in de periode dat zij bij het pleeggezin verbleef. 2.4. Op 8 oktober 2012 heeft de Commissie Samson haar rapport ‘Omringd door zorg, toch niet veilig’ gepubliceerd. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Samson hebben de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de minister van Veiligheid en Justitie (V&J) en de staatssecretaris van V&J onder meer twee regelingen tot schadevergoeding in het leven geroepen voor slachtoffers van bedoeld misbruik: de Tijdelijke Regeling uitkeringen seksueel misbruik minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen (Stcrt. 2013, 20303, hierna: ‘de Tijdelijke Regeling’) en het Statuut voor de buitengerechtelijke afhandeling van civiele vorderingen tot schadevergoeding in verband met seksueel misbruik van minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen (bijlage Kamerstukken II 2012-2013, 33 435, nr. 12, hierna ‘het Statuut’). 2.5. De Tijdelijke Regeling is een ministeriële regeling waarin een met de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven vergelijkbaar bestuursrechtelijk vangnet wordt gecreëerd. Slachtoffers die de dader van het misbruik niet aansprakelijk kunnen of willen stellen, bijvoorbeeld omdat een instelling failliet is gegaan, de dader onbekend is, bewijsmateriaal niet meer kan worden gevonden of omdat het voor hen te belastend is om te worden geconfronteerd met een instelling, kunnen van deze regeling gebruik maken. Wel moet aannemelijk worden gemaakt dat seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. De vergoeding op basis van de Tijdelijke Regeling komt ten laste van een fonds van de Ministeries van V&J en VWS. Tegen een besluit op grond van de Tijdelijke regeling staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar en beroep open. 2.6. Het Statuut is een convenant tussen de Ministeries van V&J en VWS en Jeugdzorg Nederland. De civiele kamer van de commissie van het Schadefonds (hierna: CSG) heeft tot taak om vorderingen tot schadevergoeding in verband met seksueel misbruik van minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen krachtens het Statuut af te handelen. Het uitgangspunt daarbij is dat dit geen formele, lange juridische procedure zou worden, maar dat de schadeclaims laagdrempelig en snel zouden worden afgewikkeld. Toekenning van een schadevergoeding op basis van het Statuut is bij misbruik door een persoon binnen de directe kring van het pleeggezin mogelijk als (een medewerker van) de instelling op de hoogte was van het misbruik en niet heeft opgetreden. Voor het Statuut, dat voorziet in hogere vergoedingen, gelden zwaardere eisen dan bij de Tijdelijke regeling, omdat aannemelijk moet zijn dat er sprake is van een met civielrechtelijke aansprakelijkheid vergelijkbare verantwoordelijkheid van de instelling vanwege onrechtmatig handelen door (medewerkers van) een instelling. Vanuit de wens coulance te betrachten jegens slachtoffers wordt er bij het Statuut geen verjaringstermijn gehanteerd en geen finale kwijting verlangd. Toegekende vergoedingen komen ten laste van de betreffende instelling of hun rechtsopvolger. Tegen een besluit op grond van het Statuut staat geen bezwaar en beroep open op grond van de Awb. De toelichting op het Statuut vermeldt: “Dit Statuut ziet op de buitengerechtelijke afhandeling van civiele vorderingen tot schadevergoeding. Er staat geen bezwaar of beroep open tegen het oordeel van de commissie op basis van dit statuut. Indien een slachtoffer zich niet kan vinden in het oordeel van de commissie of haar aanvraag tot schadevergoeding niet krachtens dit statuut wil laten afhandelen, kan zij te allen tijde een civiele procedure instellen bij de civiele rechter. (…) De uitgangspunten van dit statuut zijn niet van toepassing op de behandeling van vorderingen tot schadevergoeding die buiten dit statuut om aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.” 2.7. Op 12 november 2013 heeft [eiseres ] op grond van de Tijdelijke Regeling een aanvraag gedaan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bij beslissing van 28 mei 2014 is € 2.500 toegekend aan [eiseres ] , uitgaande van twee incidenten. In de beslissing op bezwaar van 3 oktober 2014 is voldoende aannemelijk geacht dat [eiseres ] van haar vierde tot haar veertiende jaar vaker slachtoffer is geweest van seksueel misbruik dan de twee incidenten die in de beslissing werden aangenomen. De uitkering voor [eiseres ] op grond van de Tijdelijke Regeling is bijgesteld naar € 15.000. 2.8. Op 12 november 2013 heeft [eiseres ] op grond van het Statuut een aanvraag gedaan. Op 15 december 2017 heeft de CSG beslist dat aan [eiseres ] geen uitkering op grond van het Statuut kan worden toegekend. Kort gezegd acht de CSG het aannemelijk dat [eiseres ] in de periode van 1958 tot 1968 in het pleeggezin seksueel is misbruikt door haar pleegvader en dat haar pleegvader seksueel misbruik door anderen faciliteerde. De CSG is van oordeel dat op grond van het door [eiseres ] aangeleverde bewijs, niet aannemelijk was geworden dat was voldaan aan de eis dat een medewerker van de instelling feitelijk op de hoogte was van dit seksueel misbruik. 2.9. Namens [eiseres ] is bij brief van 8 februari 2018 gereageerd op de beslissing van de CSG, die daarop weer heeft gereageerd. Namens [eiseres ] is vervolgens de Nationale ombudsman benaderd. Deze heeft bij brief van 4 maart 2019 zijn visie gegeven op de beslissing van de CSG. Volgens de Nationale ombudsman was de door de CSG gegeven argumentatie ‘onnavolgbaar’, waarna een gesprek tussen de Nationale ombudsman en de CSG heeft plaatsgevonden. De visie van de Nationale ombudsman is in brede zin dat het Statuut breder uitgelegd had kunnen worden en dat verklaringen tijdens de hoorzittingen een belangrijke rol spelen bij het voldoende aannemelijk maken dat een medewerker van de instelling feitelijk op de hoogte was. Hij acht daarvoor temeer van belang dat nauwelijks verwacht kan worden dat er schriftelijk bewijs uit de tijd van het misbruik (nog) aanwezig is. De Nationale ombudsman vindt de redenering van de CSG: we geloven dat het misbruik heeft plaatsgevonden, we geloven dat de verantwoordelijke voogd op de hoogte is gebracht en niet heeft ingegrepen, maar de aanvraag wordt afgewezen omdat dit laatste niet met schriftelijk bewijs uit de tijd van het misbruik wordt ondersteund, ook na het gesprek ‘nog steeds onnavolgbaar’. 2.10. Bij brief van 9 mei 2019 aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft [eiseres ] een rechtszaak aangekondigd en een stuitingsmededeling gedaan. 3Het geschil 3.1. [eiseres ] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard, vonnis: primair: te verklaren voor recht dat sprake is van een onrechtmatige daad dan wel toerekenbare tekortkoming jegens [eiseres ] op grond van handelen in strijd met de wet en/of een op de Staat rustende zorgplicht; de Staat te veroordelen om de door [eiseres ] geleden schade als gevolg van het handelen van de Staat te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; subsidiair: te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld c.q. toerekenbaar tekort is geschoten dan wel gehandeld heeft in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens [eiseres ] door het verzoek van [eiseres ] om een tegemoetkoming op grond van het Statuut af te wijzen op grond van het feit dat volgens de Staat niet is aangetoond dat er bij (een medewerker van) de instelling sprake is van feitelijk op de hoogte zijn van het misbruik; de Staat te veroordelen tot betaling van het forfaitaire bedrag als opgenomen in lid e of f van artikel 6 van het Statuut ter vergoeding van de door [eiseres ] geleden schade, onder aftrek van de vergoeding die [eiseres ] ontving op grond van de Tijdelijke regeling; primair en subsidiair: de Staat te gelasten de wettelijke rente over de schade en de proceskosten te voldoen, met rente. 3.2. [eiseres ] stelt primair dat de Staat haar onvoldoende heeft beschermd tegen het jarenlange seksuele misbruik en/of dit misbruik jarenlang heeft laten voortduren, ook nadat [eiseres ] dit had gemeld bij haar toenmalige voogd, en/of door geen veilige woonomgeving voor [eiseres ] te creëren. Subsidiair stelt [eiseres ] dat de CSG ten onrechte haar aanvraag op grond van het Statuut heeft afgewezen. 3.3. De Staat voert verweer. 4De beoordeling 4.1. De primaire vorderingen zien op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 1958 en 1968. Niet in geschil is dat [eiseres ] toen seksueel is misbruikt door haar pleegvader en dat haar pleegvader seksueel misbruik door anderen heeft gefaciliteerd. Het gaat daarmee om voor [eiseres ] uiterst pijnlijke en ingrijpende gebeurtenissen, die hebben plaatsgevonden toen zij nog jong was. De inzet van de primaire vorderingen is of de Staat vanwege destijds door de voogd van [eiseres ] uitgevoerd toezicht aansprakelijk is in verband met dit seksueel misbruik. Als meest verstrekkende verweer, beroept de Staat zich op verjaring. Dat verweer slaagt. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de primaire vorderingen van [eiseres ] . De rechtbank licht dat als volgt toe. 4.2. Naar huidig recht verjaart de vordering tot betaling van schadevergoeding in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (art. 310 BW) en verjaart de vordering waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd door verloop van twintig jaar (art. 306 BW). Op grond van het ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenissen geldende oude Burgerlijk Wetboek (BW) gold een verjaringstermijn van dertig jaar. Als deze termijn bij invoering van het huidige BW nog niet verstreken was, maar de termijn van twintig jaar wel, dan gold op grond van art. 73 Overgangswet een uitgestelde werking van een jaar. 4.3. Niet in geschil is dat de primaire vorderingen van [eiseres ] verjaard zijn. [eiseres ] stelt echter dat het beroep op verjaring van de Staat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de verjaringstermijnen buiten toepassing moeten worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid de maatstaf geldt dat het beroep van de Staat op verjaring in dit geval ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ moet zijn. Deze maatstaf is te vinden in art. 6:2 BW en brengt tot uitdrukking dat terughoudendheid moet worden betracht bij het buiten toepassing laten van wat krachtens de wet, de gewoonte of rechtshandeling geldt. Er is alleen plaats voor toepassing van deze correctie in zeer uitzonderlijke gevallen, op grond van door [eiseres ] te stellen bijzondere omstandigheden. Verder is van belang dat de toepasselijke verjaringstermijnen een objectief en in beginsel absoluut karakter hebben. Dat brengt met zich dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden, hoezeer dit ook moeilijk te aanvaarden kan zijn uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden en de vorderingen instelt. Dit wordt gevergd door het beginsel van rechtszekerheid dat deze verjaringstermijnen beogen te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij. 4.4. Bij beoordeling van het beroep van [eiseres ] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid betrekt de rechtbank alle omstandigheden van dit concrete geval en zoekt zij aansluiting bij de gezichtspunten zoals geformuleerd in het arrest HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.