← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:11955

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/81 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2021 in de zaak tussen [eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit Delft, eisers (gemachtigde: mr. L.A. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder (gemachtigde: mr. J. Schokker). Procesverloop In het besluit van 13 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eisers op grond van de Participatiewet (Pw) een bijstandsuitkering toegekend vanaf 22 september

  1. In het besluit van 25 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2021 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Deze zaak heeft betrekking op de ingangsdatum van de aan eisers toegekende bijstandstuitkering. Volgens eisers dient dit 12 augustus 2020 te zijn, de datum waarop eiser zich op het adres van eiseres heeft ingeschreven en tevens de datum waarop de alleenstaanden uitkering van eiseres is ingetrokken. Volgens vaste rechtspraak inzake artikel 44 van de Pw wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
  3. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken. Dat eisers in afwachting van een DigiD voor eiser geen aanvraag konden indienen, is geen bijzondere omstandigheid om de bijstandsuitkering eerder in te laten gaan. Eisers hebben immers niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in afwachting van de DigiD-code niet op een andere manier eerder bij verweerder konden melden voor het doen van een aanvraag. Ook al gold op dat moment vanwege de uitbraak van het coronavirus het advies om thuis te blijven, dit laat onverlet dat het Stadskantoor open was en dat de telefonisten bereikbaar waren. De stelling dat eisers door de latere ingangsdatum van de uitkering in financiële problemen zijn gekomen, is niet nader toegelicht. Daarom ziet de rechtbank in die stelling onvoldoende aanleiding om bijzondere omstandigheden aan te nemen.
  4. Voor zover eisers stellen dat verweerder de bijstandsuitkering van eiseres kon wijzigen van de norm van een alleenstaande naar de gehuwdennorm, hadden ze dit in een procedure tegen de intrekking naar voren kunnen brengen. Zij hebben tegen de intrekking echter geen rechtsmiddel aangewend. Dit komt voor hun rekening en risico.
  5. Ter zitting is niettemin van de kant van verweerder erkend dat de ingangsdatum van 22 september 2020 bij nader inzien onjuist is, omdat gebleken is dat eisers zich op 17 september 2020 bij verweerder hebben gemeld om bijstand aan te vragen. Gelet hierop heeft verweerder de ingangsdatum van de bijstandsuitkering ten onrechte op 22 september 2020 vastgesteld en kan het bestreden besluit toch niet in stand blijven.
  6. Verweerder heeft tevens ter zitting verklaard dat zal worden onderzocht of eisers mogelijk nog eerder contact met verweerder hebben opgenomen in verband met het doen van een aanvraag om bijstand volgens de gehuwdennorm. Mocht daarvan sprake zijn, dan zal verweerder de ingangsdatum heroverwegen.
  7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, in die zin dat de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 17 september 2020 wordt vastgesteld.
  8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Verder krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2.0 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor
  9. Toegekend wordt € 1.496,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit, voor zover daarbij de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 22 september 2020 is vastgesteld, stelt de ingangsdatum van de bijstandsuitkering vast op 17 september 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eisers te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
  10. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:195.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.