RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/2829 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2021 in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigden: mr. R. Olivier en mr. B.T. Tonino), en het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder (gemachtigde: R.C. de Jong, werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH)). Procesverloop In het besluit van 2 augustus 2018 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiseres de last opgelegd om uiterlijk binnen zes maanden na de datum van verzending van het besluit het met de verleende omgevingsvergunning van 3 juli 2015 (of een door verweerder goedgekeurde wijziging daarvan) strijdig gebruik van de panden aan de [straat] [huisnummer] te herstellen, onder verbeurte van een dwangsom van € 60.000,-. In het besluit van 30 april 2019 (primair besluit II) heeft verweerder besloten aan eiseres een last onder bestuursdwang op te leggen ten aanzien van de [straat] [huisnummer], inhoudende de stillegging van de bouwwerkzaamheden. Daarnaast is er een last onder dwangsom opgelegd voor het geval de bouwwerkzaamheden worden voortgezet. In het besluit van 26 september 2019 (primair besluit III) heeft verweerder de op 10 juni 2019 van rechtswege verbeurde dwangsom van € 60.000,- ingevorderd. In het besluit van 24 februari 2020, verzonden op 27 februari 2020, (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hierna hebben eiseres en verweerder aanvullende reacties ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door A. de Wilde en bij laten staan door haar gemachtigde mr. R. Olivier. Namens verweerder zijn R.C. De Jong en [A] verschenen. Ter zitting heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Overwegingen 1.1 Bij besluit van 3 juli 2015 heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het reconstrueren en verbouwen van drie monumentale panden op het perceel gelegen aan [straat] [huisnummer] te [plaats] (het perceel) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, lid 1a, van de Wabo) en gemeentelijk monument (artikel 2.2 lid 1b van de Wabo). Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. 1.2 Een toezichthouder in dienst van verweerder heeft op 30 mei 2018 geconstateerd dat het dak van twee van de drie panden is ingestort en dat het derde dak deels intact is. Omdat de voorgevel op de aangrenzende straat dreigde te vallen, heeft ODMH bouwhekken laten plaatsen en de gevel laten stutten. 1.3 Bij brief van 13 juli 2018 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld voornemens te zijn eiseres een last onder dwangsom op te leggen. Door de monumentale panden niet adequaat te onderhouden is sprake van strijdig gebruik van de panden op het perceel op grond van artikel 2.2 sub b van de Wabo, gelezen in samenhang bezien met artikel 2.9 van de Erfgoedverordening van de gemeente Gouda (Erfgoedverordening). De panden dienen binnen zes maanden na verzending van het nog te nemen definitieve besluit te worden hersteld, onder verbeurte van een dwangsom van € 60.000,-. Voor het wijzigen van twee van de drie voorgevels dient eiseres voorts een aanvraag te doen. Ook is een actueel asbestinventarisatieonderzoek nodig voordat het asbest kan worden verwijderd. Aan eiseres is de mogelijkheid geboden om een zienswijze kenbaar te maken. 1.4 Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit I de last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te brengen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. 1.5 Bij besluit van 17 oktober 2018, verzonden op 18 oktober 2018, heeft verweerder op verzoek van eiseres de begunstigingstermijn verlengd tot 11 maart 2019. Voor het overige blijft primair besluit I onverkort van kracht. 1.6 Op 21 februari 2019 heeft verweerder opnieuw een controle uitgevoerd inzake het gebruik van de panden op het perceel. Daarbij is door verweerder geconstateerd dat op dat moment voorbereidingen werden getroffen voor het storten van de begane grondvloer en dat de wapening zo goed als gereed was. 1.7 Bij besluit van 7 maart 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn opnieuw verlengd tot en met 10 mei 2019. Voor het overige blijft primair besluit I onverkort van kracht. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 14 maart 2019 gemeld dat sprake is van een verschrijving in het besluit van 7 maart 2019. Daar waarin het besluit “vrijdag 10 mei 2019” staat genoemd moet “maandag 10 juni 2019” gelezen worden. 1.8 Vervolgens is er opnieuw een controle uitgevoerd op 26 maart 2019, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het inspectierapport van 29 april 2019. Daarbij is volgens verweerder geconstateerd dat er in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd. De begane grondvloer is 0.50 meter hoger aangebracht dan in de omgevingsvergunning is aangegeven. Daarnaast voldoet de stalen draagconstructie niet aan de constructieve eisen. Tot slot komen rioolbuizen op diverse plaatsen boven straatniveau uit de nieuw gestorte begane grondvloer. 1.9 Naar aanleiding van de voornoemde constateringen heeft er op 9 april 2019 een gesprek plaatsgehad tussen eiseres, de architect Massar en inspecteurs in dienst van verweerder. Eiseres zou in dit gesprek hebben aangegeven dat zij de bouwwerkzaamheden in weerwil van de constateerde afwijkingen wil voortzetten. Door de inspecteurs is daarop aangegeven dat dit betekent dat de bouwwerkzaamheden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang stilgelegd zullen worden. 1.10 Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit II een last onder bestuursdwang opgelegd, waarin verweerder gelast om alle bouwwerkzaamheden op het perceel te staken voor zover deze betrekking hebben op het reconstrueren en verbouwen van de drie monumentale panden in het kader van de verleende omgevingsvergunning. Verweerder stelt eiseres daarbij in de gelegenheid om binnen vijf dagen na verzending van dit besluit de bouwwerkzaamheden te staken. Dit betekent dat verweerder na het verstrijken van de begunstigingstermijn de bouwwerkzaamheden zal stilleggen. Daarnaast legt verweerder een last onder dwangsom op om te voorkomen dat de bouwwerkzaamheden in strijd met de stillegging worden voortgezet. Verweerder gelast eiseres de bouwwerkzaamheden gestaakt te houden tot het moment dat schriftelijk met de voortzetting daarvan is ingestemd. Indien eiseres hieraan niet voldoet, verbeurt eiseres een dwangsom van € 10.000,- per keer dat verweerder constateert dat ondanks stillegging toch werkzaamheden zijn of worden verricht. Het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen bedraagt € 60.000,-. Er zal niet vaker dan één keer per dag worden geconstateerd dat een dwangsom is verbeurd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.11 Bij besluit van 7 juni 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn ten aanzien van primair besluit I niet opnieuw verlengd. Dit berust op het standpunt dat eiseres welbewust in afwijking van de verleende omgevingsvergunningen heeft gebouwd en de geconstateerde afwijkingen niet kunnen worden gelegaliseerd. De opgelegde bouwstop per 30 april 2019 laat onverlet dat eiseres na sloop van de geconstateerde afwijkingen de bouwwerkzaamheden kan voortzetten. Eiseres is zelf verantwoordelijk voor de vertraging in de bouwwerkzaamheden, zodat verweerder niet akkoord gaat met een verlenging van de begunstigingstermijn. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 1.12 Op 18 juni 2019 heeft verweerder opnieuw een controle uitgevoerd en geconstateerd dat er geen zichtbare verandering van het gebouwde heeft plaatsgevonden. In verband met deze gedane constateringen is door verweerder op 27 augustus 2019 een verbeuringsbrief verzonden, die betrekking heeft op de last onder dwangsom opgelegd bij primair besluit I. Hierin is de mogelijkheid geboden om binnen twee weken een zienswijze in te brengen. 1.13 Vervolgens heeft verweerder in primair besluit III de op 10 juni 2019 van rechtswege verbeurde dwangsom van € 60.000,- ingevorderd. Daarbij heeft verweerder de door eiseres ingebrachte zienswijze betrokken. Volgens verweerder is er geen reden om uit te gaan van bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden afgezien van de invordering. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.14 Bij besluit van 25 november 2019 is besloten tot het verlenen van uitstel van betaling tot zes weken na de beslissing op de bezwaarschriften. 2. Naar aanleiding van de bezwaren gericht tegen primaire besluiten I, II en III heeft verweerder het bestreden besluit genomen en, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie (de Commissie), de primaire besluiten gehandhaafd. Dit berust ten aanzien van primair besluit I – kort samengevat – op het standpunt dat uit primair besluit I voldoende duidelijk blijkt welke overtreding het betreft, dat de opgelegde dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging en dat de begunstigingstermijn tweemaal is verlengd, zodat eiseres niet wordt gevolgd in het betoog dat de begunstigingstermijn te kort is. Ten aanzien van primair besluit II komt verweerder tot de conclusie dat de bouwstop terecht is opgelegd. De waterproblematiek in Gouda heeft volgens verweerder geen directe relatie met de opgelegde bouwstop. De bouwstop is immers opgelegd omdat er in afwijking van de verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Ten aanzien van primair besluit III komt verweerder tot de conclusie dat volgens vaste jurisprudentie de wijze waarop en de verantwoordelijkheid om binnen de gestelde begunstigingstermijn de overtreding ongedaan te maken voor rekening en risico komt van degene aan wie de last onder dwangsom is opgelegd. Dat eiseres pas later is gestart met de werkzaamheden en dat vervolgens een bouwstop is opgelegd is te wijten aan het gedrag van eiseres. Voorts voldoet primair besluit III volgens verweerder aan de daarvoor gestelde eisen. 3.1 Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. De rechtbank zal in het navolgende, voor zover relevant, de beroepsgronden van eiseres bespreken. 3.2 Ter zitting heeft eiseres verzocht om schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. De inhoudelijke beoordeling van de last onder dwangsom (primair besluit I) Overtreding 4.1 De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder bevoegd was handhavend op te treden. Volgens verweerder is eiseres in overtreding, omdat het verboden is een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeentelijk monumentale panden op het perceel in gevaar zijn gebracht door langdurig achterstallig onderhoud, wat heeft geleid tot het gedeeltelijk instorten van de panden. 4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat twee van de drie daken van de panden zijn ingestort en dat het derde dak nog deels intact is. Vast staat daarmee dat de panden in slechte staat verkeerden. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of sprake is van een overtreding. Daarbij verschillen zij van mening over de oorzaak van de gedeeltelijke instorting van de panden. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de panden niet zijn ingestort door achterstallig onderhoud, maar doordat de panden vele malen zijn ondergelopen, mede veroorzaakt door het overlopen van rioleringsputten. Volgens eiseres is de constructie daardoor aan overtollige relatieve vochtigheid bezweken en zijn de panden ingestort. Daarnaast heeft eiseres betoogd dat (geringe) schade aan de panden is veroorzaakt door een storm. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar brieven die zij eerder in de procedure naar verweerder heeft verstuurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres sinds 2015 een omgevingsvergunning heeft voor de herbouw van de panden, dat de panden toentertijd al in slechte staat waren, echter heeft eiseres sindsdien geen actie ondernomen en dat heeft volgens verweerder geleid tot het gedeeltelijk instorten van twee van de drie panden. De rechtbank stelt vast dat door eiseres niet is betwist dat twee van de drie daken van de panden zijn ingestort en dat het derde dak nog deels intact was. Het ontbreken van een rapport hieromtrent brengt in dit geval niet mee dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ontbreekt. De rechtbank acht de verklaring van eiseres dat de gedeeltelijke instorting van de panden is veroorzaakt door wateroverlast dan wel is veroorzaakt door een storm onaannemelijk. Dit is ook niet onderbouwd door eiseres. Wel acht de rechtbank, mede gelet op de in 2015 verleende omgevingsvergunning, aannemelijk dat het onthouden van onderhoud aan de panden tot de instorting van twee van de drie daken van de panden heeft geleid. Dit betekent dat eiseres een overtreding heeft begaan door te handelen in strijd met artikel 2.2, eerste lid onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.9 van de Erfgoedverordening. Verweerder was daarom in beginsel bevoegd handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Omvang last 4.3 Eiseres betoogt dat de last onder dwangsom onduidelijk is. Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. In deze verplichting ligt besloten dat de last voldoende concreet moet zijn. Anders is de last in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Voor zover de bewoordingen van de last ruimte voor discussie laten met betrekking tot de vraag of aan de last is voldaan, dient uit het oogpunt van rechtszekerheid iedere onduidelijkheid in de last voor rekening te blijven van het bestuursorgaan.De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom zich richt op naleving van artikel 2.2, eerste lid onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.9 van de Erfgoedverordening. In het laatst genoemde artikel staat vermeld dat het verboden is een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Anders dan eiseres heeft betoogd is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waar de overtreding op ziet, te weten het niet adequaat onderhouden van de panden, wat heeft geleid tot het gedeeltelijk instorten daarvan. Er is geen sprake van een subsidiaire grondslag. De wetsartikelen dienen in samenhang te worden bezien. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de last voldoende duidelijk en kenbaar volgt wat eiseres moest doen om de overtreding ongedaan te maken en om te voorkomen dat de dwangsom verbeurt. Dit betekent dat de last voldoende concreet is en er geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.4 Eiseres wordt evenmin gevolgd in haar standpunt dat de opgelegde last verder strekt dan noodzakelijk. Doordat de panden gedeeltelijk waren ingestort, zijn de panden immers gesloopt en in dit licht bezien gaat de omschreven herstelmaatregel, te weten bouwen conform de verleende omgevingsvergunning (of een door verweerder goedgekeurde wijziging daarvan) niet verder dan noodzakelijk. De rechtbank ziet niet in hoe verweerder de herstelmaatregel inzichtelijker (of concreter (zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaarde)) had kunnen omschrijven. Indien de omgevingsvergunning volgens eiseres achterhaald is, dan staat het eiseres vrij om een nieuwe omgevingsvergunning of een aanpassing van de verleende omgevingsvergunning aan te vragen. Hoogte dwangsom 4.5 Voorts betoogt eiseres dat de hoogte van de dwangsom te hoog is. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dient de dwangsom in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom beleidsruimte toekomt, zodat de rechterlijke toets in zoverre terughoudend dient te zijn. Voorts heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Verweerder heeft aangegeven dat de vaststelling van de hoogte van de dwangsom is afgestemd op de hoogte van de door eiseres (geschatte) bouwkosten van € 125.000,-. Dat verweerder in dit geval aansluiting heeft gezocht bij de bouwkosten acht de rechtbank niet onredelijk en zij neemt daarbij in overweging dat verweerder de hoogte heeft vastgesteld volgens het eigen handhavingsbeleid, waarin de rechtbank evenmin aanknopingspunten heeft gevonden dat het bedrag te hoog is vastgesteld. De verwijzing van eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank kan haar ook niet baten. Er is sprake van een andere situatie, nu het in dat specifieke geval slechts ging om herstel van het kozijnenstel inclusief openslaande balkondeuren en/of het vervangen van de slechte onderdelen waarvoor een dwangsom ter hoogte van € 5.000,- werd opgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder vastgestelde dwangsombedrag van € 60.000,- in redelijke verhouding staat tot de belangen die worden beschermd met de overtreden regelgeving en de beoogde werking van de dwangsom. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verlenging begunstigingstermijn 4.6 Tot slot heeft eiseres in de nadere reactie van 12 juli 2021 nog aangevoerd dat de begunstigingstermijn ten onrechte niet volgens het beleid van verweerder is verlengd hangende bezwaar. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar uitspraken van een voorzieningenrechter van deze rechtbank (SGR 21/3232 en SGR 21/3233). Verweerder heeft in reactie op deze beroepsgrond van eiseres in het aanvullend verweerschrift van 21 juli 2021 nogmaals gemotiveerd waarom de begunstigingstermijn niet voor een derde keer is verlengd. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat er geen sprake is van strijd met het handhavingsbeleid, omdat de omstandigheden van het geval (eiseres heeft bij het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn als reden de opgelegde bouwstop opgegeven) volgens verweerder geen aanleiding konden geven om tot verlenging van de begunstigingstermijn over te gaan. De rechtbank stelt vast dat de begunstigingstermijn volgens het eigen handhavingsbeleid in principe wordt verlengd hangende bezwaar, echter laat deze formulering ruimte om anders te beslissen. Verweerder heeft uitgebreid toegelicht waarom gelet op alle omstandigheden bij het derde verzoek niet is overgegaan tot verlenging van de begunstigingstermijn. Daartegen is ook geen bezwaar gemaakt. De rechtbank ziet in de beroepsgrond geen aanleiding om verweerder niet te volgen. Deze beroepsgrond faalt. Conclusie 4.7 In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Voorts heeft eiseres geen gronden aangevoerd die de rechtbank aanleiding geven tot het oordeel te komen dat verweerder van handhaving had moeten afzien. Ten aanzien van de last onder bestuursdwang en tevens last onder dwangsom (primair besluit II) Overtreding 5.1 De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat de last onder bestuursdwang en tevens last onder dwangsom in primair besluit II zich richt op naleving van de artikelen 2.1, eerste lid onder a van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid onder b van de Wabo en artikel 1b, eerste lid, van de Woningwet in samenhang bezien met het Bouwbesluit 2012. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van (een) overtreding(en). Volgens verweerder is eiseres in de eerste plaats in overtreding, omdat de nieuw gestorte betonvloer circa 0,35 hoger ligt ten opzichte van het straatniveau en het vloerniveau van de andere op het perceel aanwezige bebouwing. De in de betonvloer aangebrachte riooluitgangen komen hierdoor boven het straatniveau uit. Daarnaast is eiseres volgens verweerder in overtreding omdat op de nieuw gestorte betonvloer een staalconstructie bestaande uit twee portalen is aangebracht die onvoldoende zijn bevestigd aan de ondergrond. De bouten zijn op de meeste plekken te diep ingestort en diverse bouten zijn op de verkeerde plaats ingestort. Hierdoor is het volgens verweerder niet mogelijk om de staalconstructie vast aan de vloer te bevestigen. De last onder bestuursdwang is volgens verweerder toegepast om de bouw onmiddellijk stil te leggen. Om te voorkomen dat eiseres de bouwwerkzaamheden in strijd met de stillegging toch voortzet is tevens een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van een overtreding in de toekomst. 5.2 Eiseres betoogt niet in strijd met de Wabo, het Bouwbesluit en de omgevingsvergunning te hebben gehandeld. Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat een vloer geen bouwwerk is en daardoor kan volgens haar geen sprake zijn van een overtreding. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om eiseres hierin te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een vloer een onderdeel van het bouwwerk. De uitspraak waar eiseres naar heeft verwezen ziet op een andere situatie, omdat het in dat specifieke geval ging om een paalmatras die werd aangemerkt als onderdeel van een aan te leggen weg. Nu de paalmatras onderdeel uitmaakt van een weg en een weg geen bouwwerk is, is ook de paalmatras geen bouwwerk. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet. 5.3 Daarnaast stelt eiseres dat zij de verhoogde vloer mocht leggen, zodat zij niet in strijd heeft gehandeld met de omgevingsvergunning. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar een e-mailbericht van 4 september 2012, naar een wijziging van de omgevingsvergunning in 2018 en naar een door verweerder overgelegde technische analyse (peilmatenkaart). Verweerder heeft zich ten aanzien van het e-mailbericht op het standpunt gesteld dat daarin inderdaad te lezen is dat de vloer verhoogd mag worden aangelegd, maar dat de toezegging van de verhoogde vloer is vertaald in de verleende omgevingsvergunning van 3 juli 2015. Volgens verweerder is de huidige hoogte nimmer afgesproken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder onder verwijzing naar de tekeningen bij de verleende omgevingsvergunning desgevraagd verklaard dat de vloer 16,5 centimeter (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.