RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 21/323 en AWB 21/324 [V-Nummer 1] ( [verzoeker] ) en [V-Nummer 2] ( [verzoekster] ) Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2021 in de zaken tussen [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1984, verzoekster en [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, verzoeker, beiden van Surinaamse nationaliteit, tezamen: verzoekers (gemachtigde mr. G.W. Mettendaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 22 december 2020 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het uitoefenen van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM afgewezen. Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op de zitting behandeld op 21 september
- Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is - met voorafgaande kennisgeving - niet ter zitting verschenen. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Overwegingen
- Verzoekers hebben om vrijstelling van het griffierecht verzocht. Zij hebben een verklaring ingevuld dat zij geen inkomsten of vermogen hebben. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoekers hoeven voor de verzoeken om voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.
- Verzoekers willen met hun aanvragen verblijf bij [naam referent] (referent). Volgens verzoekster heeft zij een duurzame en exclusieve relatie met hem. Volgens verzoeker is referent zijn vader en heeft hij beschermenswaardig familieleven met hem.
- Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat de duurzame en exclusieve relatie tussen referent en verzoekster niet is aangetoond. Evenmin is de relatie tussen verzoeker en referent aangetoond.
- De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het ligt op de weg van verzoekers om aannemelijk te maken dat sprake is van beschermenswaardig familieleven. Verzoekers hebben dat onvoldoende gedaan. Zo hebben zij geen stukken overgelegd ter onderbouwing van hun betoog. Tijdens de zitting is bovendien duidelijk geworden dat verzoekster inmiddels een nieuwe partner heeft en dat geen sprake is van familieleven tussen verzoekster en referent. Ook verzoeker heeft aangegeven dat hij op het moment geen contact heeft met referent. Het bezwaar van verzoekers heeft bij deze stand van zaken dan ook geen kans van slagen. Om die reden worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september
- Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal. E.P.W. Kwakman mr. A.K. Mireku griffier voorzieningenrechter afschrift verzonden op: RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.