vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/591810 / HA ZA 20-407 Vonnis van 10 november 2021 in de zaak van GEMEENTE DEN HAAG te Den Haag, eiseres, advocaat mr. N.E.J. Franken te Den Haag, tegen 1 [gedaagde sub 1] [plaats] , 2. [gedaagde sub 2] te [plaats] , gedaagden, advocaat mr. D.M.L. Heberle te Eindhoven (voorheen mrs. G.C. Blom en M. Kokx). Partijen worden hierna de gemeente, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 1 april 2020, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14; het tussenvonnis van 7 oktober 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2021 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Beide partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het B16-formulier van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van 22 september 2021 en de brief van de gemeente van 23 september worden aan het proces-verbaal gehecht. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van hun opmerkingen. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde sub 1] is op [datum 1] 2010 in dienst getreden bij de gemeente als medewerker planning en control bij het bedrijfsonderdeel Bedrijfsvoering en control van de Dienst Stadsbeheer (hierna: DSB). Als gevolg van een reorganisatie heeft [gedaagde sub 1] in 2012 een nieuwe functie gekregen, te weten die van business controller. Sinds [datum 2] 2017 was hij werkzaam als financial controller bij het Bedrijfsuitvoeringsexpertisecentrum (hierna: BEC) van de gemeente. Vanuit die functie verrichtte hij werkzaamheden voor DSB, meer in het bijzonder voorheen voor het Veeg- en Straatbedrijf Den Haag en sinds november 2018 voor de Handhavingsorganisatie (hierna: HHO). 2.2. [gedaagde sub 2] is de echtgenote van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. 2.3. Op 23 december 2019 ontving een medewerker van HHO via het door de gemeente gebruikte administratieve systeem Oracle het verzoek om een factuur van [BV I] (hierna: [BV I] ) van 31 oktober 2019 ten bedrage van € 72.585,48 goed te keuren. Deze medewerker verving een medewerker die met vakantie was. Omdat [BV I] bij de desbetreffende medewerker niet bekend was, hebben medewerkers van HHO het administratieve systeem doorzocht. Daarbij hebben deze medewerkers facturen van drie andere bedrijven aangetroffen waarbij eveneens vraagtekens konden worden geplaatst. Het betreft [BV II] (hierna: [BV II] ), [BV III] (hierna: [BV III] ) en [BV IV] . (hierna: [BV IV] ). 2.4. De afdeling Internal Audit van de gemeente heeft door middel van een quick scan de facturatie van de hiervoor genoemde vier bedrijven en de afhandeling daarvan door de gemeente onderzocht. De bevindingen van deze quick scan zijn neergelegd in het auditverslag. De conclusie van de afdeling Internal Audit is dat van deze vier bedrijven facturen zijn ontvangen die niet volgens de interne werkprocessen van de gemeente zijn verwerkt. De afdeling Internal Audit heeft geconstateerd dat een aantal facturen niet door de verantwoordelijke en daartoe bevoegde budgethouder is gefiatteerd maar door [gedaagde sub 1] . Daarnaast is volgens de afdeling Internal Audit gebleken dat [gedaagde sub 1] buiten zijn bevoegdheid facturen heeft laten inboeken, collega’s heeft verzocht facturen met spoed te betalen en op een aantal facturen “akkoord” heeft geschreven. Voorts is geconstateerd dat bij het merendeel van de onderzochte facturen de intern vereiste prestatieverklaring (ten bewijze dat de overeengekomen en gefactureerde prestatie is verricht) ontbrak. 2.5. De gemeente heeft naar aanleiding van de uitkomsten van de quick scan Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) opdracht gegeven tot het verrichten van een feitenonderzoek met als doel om vast te stellen of sprake is van een integriteitsschending, wie hierbij betrokken is en wat de aard en omvang ervan is. Op 3 maart 2020 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht. Hierin komt zij tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere integriteitsschendingen en dat de gemeente door actieve betrokkenheid van [gedaagde sub 1] een totaalbedrag van € 1.778.363,33 aan (hoogstwaarschijnlijk) valse facturen heeft betaald. 2.6. Hoffmann heeft in haar rapport de bevindingen van de afdeling Internal Audit bevestigd. Zij heeft daarnaast vastgesteld dat [gedaagde sub 1] actief betrokken is geweest bij nog meer facturen. Deze facturen zijn afkomstig van de volgende acht bedrijven: [Bedrijf 1] , [Bedrijf 2] (hierna: [Bedrijf 2] ), [Bedrijf 3] (hierna: [Bedrijf 3] ), [Bedrijf 4] (hierna: [Bedrijf 4] ), [Bedrijf 5] (hierna: [Bedrijf 5] ), [Bedrijf 6] (hierna: [Bedrijf 6] ), [Bedrijf 7] en [Bedrijf 8] Aldus heeft Hoffmann facturen van in totaal twaalf betrokken bedrijven als verdacht aangemerkt. Hoffmann heeft vastgesteld dat de twaalf betrokken bedrijven 58 facturen voor een totaalbedrag van € 1.778.363,33 hebben ingediend bij en betaald hebben gekregen van de gemeente, terwijl bij slechts drie facturen een prestatieverklaring in de vorm van een urenverantwoording aanwezig was. Volgens Hoffmann heeft [gedaagde sub 1] een actieve rol gehad in het inkoop- en facturatieproces van deze 58 facturen, terwijl die werkzaamheden niet tot zijn functie als financial controller behoren en hij hiervoor geen mandaat had. Het gaat daarbij om het laten opvoeren van nieuwe leveranciers, het aanmaken van inkooporders, het (laten) inboeken van facturen en het fiatteren van facturen of collega’s daartoe opdracht geven. [gedaagde sub 1] was, hoewel hij daartoe geen mandaat had, in de gelegenheid om facturen goed te keuren, omdat facturen in Oracle aan hem werden overgedragen, of omdat de zogeheten vakantieregel aanstond. Op die manier heeft [gedaagde sub 1] ook het mandaat om facturen goed te keuren overgedragen gekregen en was hij in staat facturen goed te keuren zodat deze vervolgens werden betaald. Ook was [gedaagde sub 1] zelf de fiatteur in die gevallen waarin hij zelf eerder de inkooporder had aangemaakt. Volgens Hoffmann is verder uit haar onderzoek gebleken dat [gedaagde sub 1] doelbewust het inkoop- en facturatieproces heeft versneld door op de facturen boekingsaanwijzingsnummers te schrijven en meerdere keren (vanwege “spoed”) druk heeft uitgeoefend op collega’s om facturen in te boeken en goed te keuren. Tevens heeft Hoffmann een e-mail aangetroffen waarin [gedaagde sub 1] een aankondiging heeft gedaan bij diverse collega’s, dat een aantal facturen om administratieve redenen nogmaals de workflow in gaan die eerder al zijn gecontroleerd en betaald met daarbij het verzoek om deze opnieuw goed te keuren. Uit onderzoek is gebleken dat de ingediende facturen die daarop volgden geen correcties betroffen maar nieuwe, nog niet betaalde facturen. 2.7. Hoffmann heeft verder geconstateerd dat meerdere van de betrokken bedrijven kort voor de eerste factuurdatum zijn opgericht en dat in een aantal gevallen de eerste factuurdatum zelfs was gelegen vóór de datum van oprichting. Daarnaast heeft Hoffmann op basis van informatie uit het handelsregister, de facturen en het kadaster vastgesteld dat de twaalf betrokken bedrijven aan elkaar gelinkt zijn, omdat namen van bestuurders, adresgegevens, e-mailadressen en/of telefoonnummers overeenkomen. Een aantal bedrijven staat bovendien in het handelsregister ingeschreven of heeft ingeschreven gestaan op de [adres 1] , welke pand is gelegen naast een aan [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 2] ) in eigendom toebehorend pand (in de [adres 2] ). 2.8. In het rapport wordt daarnaast verslag gedaan van het digitale onderzoek op de zakelijke laptop (naar de zakelijke homedirectory en e-mailpostbus van [gedaagde sub 1] ) en de zakelijke mobiele telefoon van [gedaagde sub 1] . Hoffmann heeft op de zakelijke laptop van [gedaagde sub 1] facturen –als Word-bestand en als Pdf-bestand – van een aantal betrokken bedrijven aangetroffen. Uit onderzoek naar de zakelijke telefoon van [gedaagde sub 1] is gebleken dat hij in april, oktober en december 2019 diverse keren bel- en/of sms-contact heeft gehad met een tweetal telefoonnummers van een aantal betrokken bedrijven, en dat hij op 23 december 2019 (overdag en in de avond) elf sms-berichten heeft verstuurd naar het telefoonnummer van (vermoedelijk) de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), de bestuurder van [BV II] (die ook [BV I] heeft opgericht). Verder heeft Hoffmann in de zakelijke e-mailpostbus van [gedaagde sub 1] e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat [gedaagde sub 1] ook niet-werkgerelateerd contact heeft gehad met [betrokkene 1] . Ook is een e-mail aangetroffen van [gedaagde sub 2] aan de ING Bank (met [gedaagde sub 1] in kopie) met twee ingevulde vragenlijsten getiteld “aanvullende informatie gebruik van uw betaalrekening”. In de eerste vragenlijst staat vermeld dat in de periode 26 april tot en met 5 november 2018 een contant geldbedrag van in totaal € 42.385 is gestort op een ING-bankrekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en dat een deel van dit geld is overgeboekt naar een Rabobankrekening van [gedaagde sub 2] . In de tweede vragenlijst wordt melding gemaakt van de storting van een contant geldbedrag van in totaal € 44.750 in de periode 4 juni tot en met 5 november 2018 op een ING-bankrekening van [gedaagde sub 1] , waarvan een deel is overgeboekt naar een Rabobankrekening van [gedaagde sub 2] . In de vragenlijsten wordt gevraagd naar de herkomst van het geld, de reden van de storting en de overboeking en het bestedingsdoel. In de vragenlijsten staat (met pen) geschreven dat het gaat om privéspaargeld van de afgelopen jaren dat niet bij de bank is gestort. Als reden van de storting staat genoteerd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vanwege een verbouwing van hun woning het geld niet meer in huis wilden hebben. Verder staat vermeld dat het geld naar [gedaagde sub 2] is overgeboekt, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het geld gescheiden wilden houden van het huishoudgeld. Als bestedingsdoel is opgegeven “o.a. verbouwing, verder nog niet bekend”. In het rapport van Hoffmann wordt daarnaast melding gemaakt van een aangetroffen factuur gericht aan [gedaagde sub 1] voor de aankoop van een auto van het merk Porsche voor een bedrag van € 26.000. In de factuur staat vermeld dat een bedrag van € 24.300 contant is voldaan. 2.9. In het rapport wordt verder ingegaan op het gesprek dat Hoffmann op 14 februari 2020 (van 09.25 uur tot 15.15 uur) met [gedaagde sub 1] , in het bijzijn van een medewerker van zijn rechtsbijstandsverzekeraar, heeft gevoerd. Van dit gesprek is een verslag gemaakt, dat door [gedaagde sub 1] “voor gelezen” is ondertekend. In dit verslag staat dat [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij als vriendendienst personen uit zijn netwerk, waaronder [betrokkene 1] en de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), (voormalig) bestuurder van [Bedrijf 4] , [Bedrijf 5] en [Bedrijf 6] , in contact heeft gebracht met de gemeente en dat hij daarbij niet altijd zuiver heeft gehandeld door zelf facturen aan te maken, in te dienen, goed te keuren of versneld in een accorderingsproces te leiden waarvan hij (achteraf) wist dat daar geen prestatie tegenover stond. Ook staat vermeld dat [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 2] meerdere facturen en een modelfactuur voor [BV IV] heeft gemaakt. In het verslag staat dat [gedaagde sub 1] over de factuur van [BV I] van 31 oktober 2019 het volgende heeft verklaard: “(…) Ik ben benaderd door mijn collega [collega 1] . Zij had deze factuur in haar werklijst. Ze belde mij en vroeg naar de factuur. Volgens mij was de factuur bij [collega 1] terecht gekomen, omdat [collega 2] afwezig was. Ze had vragen over de factuur. De contractbeheerder kende de factuur niet. (…) Ik heb gezegd dat we gaan kijken wat er aan de hand is. Ik heb gezegd dat ze hem in de werklijst moest houden en ik zou het uitzoeken. Ze heeft de factuur toch geparkeerd in mijn werklijst. Ze heeft de factuur dus overgedragen naar mij. Ik ben gaan bellen. Ik ben gaan kijken naar de factuur en zag een telefoonnummer staan. Ik heb het 06-nummer gebeld. Ik kreeg [Voornaam] aan de telefoon. Zijn achternaam? Volgens mij [betrokkene 1] . Toen heb ik gebeld. Hij ging navraag doen en zou mij terugbellen. Hij belde mij terug. Hij zei dat de factuur onterecht was, omdat ze voor deze factuur al een creditfactuur gestuurd hebben. In november al zei hij. Ik zie: oké, dan weet ik genoeg. Hij zei dat hij ook al was benaderd door iemand anders van de handhavingsorganisatie. Toen heb ik een e-mailbericht gestuurd naar [collega 1] om aan te geven dat ik de leverancier had gesproken en hij had aangegeven dat de factuur onterecht was en dat er al een creditfactuur voor was gestuurd. Voor mij was het klaar. U vraagt of ik heb gecontroleerd of er een creditfactuur was. Ik heb de creditfactuur niet in het systeem kunnen vinden. Ik heb [Voornaam] toen teruggebeld en gezegd dat ik geen creditfactuur had. Ik heb toen een creditfactuurnummer gekregen. Ik heb niet gevraagd waarom de factuur fout was. Hij zei alleen dat de factuur foutief was. Aan de hand van het creditfactuurnummer kon ik de creditfactuur alsnog niet vinden. Toen heb ik hem teruggebeld en vroeg ik of hij de creditfactuur nog een keer wilde opsturen. Als het goed is, is die factuur naar de afdeling crediteuren gestuurd. Daarna ben ik op vakantie gegaan. De factuur stond inderdaad nog in mijn workflow geplaatst, zoals u vraagt. Die staat er nog steeds in, want ik heb niets met die factuur gedaan. Samen met 20 of 30 andere facturen. [collega 1] vond het wel een raar verhaal, maar vond het wel goed allemaal geloof ik. Deze factuur heb ik in mijn veronderstelling weer overgedragen aan [collega 1] , maar wat bleek, daar kwam ik later achter, ik heb op goedkeuren gedrukt. Ik heb mijn werklijst opgeruimd aan het einde van het jaar. Ik had een fout gemaakt en deze factuur per ongeluk goedgekeurd. U vraagt hoe ik erachter kwam dat ik de factuur geaccordeerd had, daar kwam ik achter omdat ik mij werk had gecontroleerd. Ik heb ook een mail gestuurd dat ik een fout had gemaakt. Ik heb aangegeven dat het verrekend moest worden met de creditfactuur. (…)” 2.10. Volgens Hoffmann heeft [gedaagde sub 1] niet de waarheid verteld over de factuur van [BV I] van 31 oktober 2019. Hoffmann heeft in haar rapport verwezen naar diverse door haar aangetroffen e-mails, waaruit volgens haar blijkt dat [gedaagde sub 1] in januari 2020 nogmaals heeft geprobeerd om dezelfde factuur betaalbaar te stellen. Hoffmann heeft hierover het volgende geschreven in haar rapport: “Op 2 januari 2020 om 16.14 uur heeft de heer [gedaagde sub 1] een e-mail gestuurd aan mevrouw [senior medewerker] , senior medewerker transactieverwerking. In de e-mail staat: ‘Ik ben gebeld en Factuur [nummer 1] blijkt nog niet betaald te zijn. Waarom? De factuur is correct en de opdracht dat het uitgevoerd en gefactureerd wordt door de onderaannemer ook. Ik heb dit al eerder uitgezocht vandaar dat ik als controller ook aangaf dat het correct is. Kan ervoor gezorgd worden dat dit betaald wordt zodat dit ook in 2019 afgehandeld is’; Om 16.32 uur heeft mevrouw [senior medewerker] de e-mail doorgestuurd aan mevrouw [A] , waarna de heer [gedaagde sub 1] zelf ook nog een e-mail naar mevrouw [A] stuurde met de tekst: ‘Kan onderstaand afgehandeld worden’; Op 3 januari 2020 om 06.41 reageerde mevrouw [A] aan de heer [gedaagde sub 1] dat hij contact op moest nemen met [Hoofd Planning] (red: De heer [Hoofd Planning] , Hoofd Planning & Business Control); Om 10.25 uur heeft de heer [gedaagde sub 1] een e-mail gestuurd aan mevrouw [senior medewerker] , en mevrouw [A] in de cc, waarin hij schreef ‘Om verwarring vanuit mijn kant te voorkomen omdat het in onderstaand mail niet helder is geformuleerd dient de betaling wel plaats te vinden tegen de creditfactuur [nummer 2] datum 05/11/2019’.” 2.11. Hoffmann heeft verder in haar rapport aangegeven dat niet is gebleken dat andere medewerkers van de gemeente bij het handelen van [gedaagde sub 1] te kwader trouw betrokken zijn geweest. 2.12. De gemeente heeft [gedaagde sub 1] op 4 maart 2020 op staande voet ontslagen. [gedaagde sub 1] heeft zijn ontslag aangevochten bij de kantonrechter, maar heeft van de kantonrechter geen gelijk gekregen. De kantonrechter heeft bij beschikking van 1 juli 2020 geoordeeld dat aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] onder valse voorwendselen ervoor heeft zorggedragen dat verschillende valse facturen zijn gemaakt en ingediend bij, en/of een rol heeft gehad bij het betalen van de facturen door de gemeente, terwijl wat betreft die facturen geen (volledige) prestaties waren geleverd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde sub 1] hiermee in strijd gehandeld met de interne werkprocessen en de gedragscode van de gemeente, misbruik gemaakt van zijn positie van controller en het vertrouwen dat de gemeente en haar medewerkers in hem stelden en de ambtelijke integriteit geschonden. De kantonrechter is op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet aanwezig is. [gedaagde sub 1] heeft tegen de beschikking hoger beroep ingesteld, waarop ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was beslist. 2.13. Ook heeft de gemeente bij de Rijksrecherche aangifte gedaan tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De officier van justitie heeft de gemeente bij brief van 12 maart 2021 bericht dat dit heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd door de Rijksrecherche en dat acht personen als verdachte zijn aangemerkt, van wie er vier zullen worden gedagvaard voor de meervoudige strafkamer. Het betreft [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . [gedaagde sub 1] wordt verdacht van oplichting en valsheid in geschrifte en [gedaagde sub 2] van gewoontewitwassen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden verdacht van oplichting en gewoontewitwassen. 2.14. De gemeente heeft op grond van daartoe verkregen verloven van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van [gedaagde sub 1] conservatoir beslag doen leggen op een aan [gedaagde sub 1] toebehorende auto van het merk Porsche, een tweetal aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in eigendom toebehorende woningen, de ING-bankrekeningen van [gedaagde sub 1] en de Rabobankrekening van [gedaagde sub 2] . De vordering van de gemeente is in deze verloven voorlopig begroot op € 2.074.599. 2.15. Op 30 juli 2020 zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een kort geding procedure gestart waarin zij opheffing van de beslagen hebben gevorderd. Bij vonnis van 22 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank deze vordering afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de gemeente jegens hen geen vorderingsrecht kan doen gelden dan wel dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. 2.16. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in een separaat kort geding gevorderd dat de gemeente aan hen inzage geeft en afschrift verstrekt van een aantal door hun gespecificeerde bescheiden. Bij vonnis van 18 mei 2021 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank deze vordering gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, waarop ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was beslist. 2.17. De gemeente heeft ook ten laste van [Bedrijf 2] , [BV IV] , [BV II] en [BV I] conservatoir beslag gelegd. Dit beslag heeft volgens opgave van de gemeente beperkt doel getroffen. De gemeente heeft tegen elk van deze vier bedrijven en tegen drie andere betrokken bedrijven een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. In die procedures heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat de bedrijven onrechtmatig hebben gehandeld door opzettelijk facturen voor niet-uitgevoerde werkzaamheden in te dienen en de betaling hiervan te aanvaarden. De gemeente heeft vergoeding van de door haar geleden schade gevorderd. Op 4 augustus 2021 heeft de rechtbank vonnis op tegenspraak gewezen in de procedures tegen [Bedrijf 2] , [BV IV] , [BV II] en [BV I] . De rechtbank heeft tegen de andere drie bedrijven verstek verleend. Bij verstekvonnis van 9 september 2020 respectievelijk 16 december 2020 heeft de rechtbank [Bedrijf 3] , [BV III] en [Bedrijf 4] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 210.682,81 respectievelijk € 260.016,99 respectievelijk € 163.785,59, vermeerderd met rente en proceskosten (inclusief beslagkosten), aan de gemeente. 2.18. In de procedure tegen [Bedrijf 2] heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente voldoende heeft onderbouwd dat [Bedrijf 2] voor haar factuur geen werkzaamheden heeft verricht en dat [Bedrijf 2] dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, en dat daarom moet worden aangenomen dat [Bedrijf 2] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gemeente door een valse factuur in te dienen en de betaling hiervan door de gemeente te aanvaarden. De rechtbank heeft [Bedrijf 2] veroordeeld om aan de gemeente als schadevergoeding het factuurbedrag en een twaalfde deel van de kosten van Hoffmann, zijnde een totaalbedrag van € 56.583,08, vermeerderd met rente en proceskosten (inclusief beslagkosten), te betalen. 2.19. De rechtbank is in de procedure tegen [BV IV] tot het oordeel gekomen dat ook [BV IV] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gemeente. De rechtbank heeft geoordeeld dat alle facturen van [BV IV] vals zijn, omdat uit het onderzoek van Hoffmann volgt dat zij zijn aangemaakt en ingediend terwijl daar geen prestaties van [BV IV] tegenover stonden en dit niet (gemotiveerd) is betwist door [BV IV] (“r.o. 4.1. (… ) [BV IV] heeft immers ter zitting erkend dat zij destijds wist dat de gemeente een drietal betalingen had gedaan, dat haar bestuurder geen werkzaamheden voor de gemeente heeft uitgevoerd en dat haar niet bekend is of [betrokkene 2] en/of anderen dat wel hebben gedaan.”), terwijl bovendien vaststaat dat de facturen kort na oprichting van [BV IV] zijn ingediend en daarbij niet de door gemeente voorgeschreven werkwijze is gevolgd. Het verweer van [BV IV] dat het onrechtmatig handelen niet aan haar kan worden toegerekend omdat zij niet zelf maar haar feitelijk beleidsbepaler – [betrokkene 2] – de facturen heeft opgesteld en ingediend, is door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft [BV IV] veroordeeld om aan de gemeente bij wege van schadevergoeding de factuurbedragen en een twaalfde deel van de kosten van Hoffmann, zijnde een totaalbedrag van € 177.676,47, vermeerderd met rente en proceskosten (inclusief beslagkosten), te betalen. 2.20. De rechtbank heeft in de procedure tegen [BV II] geoordeeld dat moet worden aangenomen dat alle facturen van [BV II] , met uitzondering van de factuur van 11 april 2016 (ter hoogte van € 3.534,30), vals zijn en dat de betaling daarvan op onterechte gronden heeft plaatsgevonden, en dus dat [BV II] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeente. Uit het vonnis blijkt dat [BV II] in rechte heeft erkend dat een groot aantal facturen vals is: “4.2. De overige 19 facturen die wel vals zijn, zijn volgens [BV II] opgesteld door [gedaagde sub 1] . [BV II] heeft in dit verband de volgende toelichting gegeven. [betrokkene 1] wilde [gedaagde sub 1] helpen toen die aangaf geld nodig te hebben voor zijn zieke vader in [Land] . Omdat [betrokkene 1] zelf over onvoldoende middelen beschikte, heeft [gedaagde sub 1] gebruik gemaakt van [BV II] om aan het geld te komen. Medio 2013 ontving [betrokkene 1] van [gedaagde sub 1] een door hem gemaakte factuur op naam van [BV II] . Na betaling hiervan heeft [BV II] de verschuldigde btw over het factuurbedrag afgedragen aan de belastingdienst en heeft [betrokkene 1] 65 procent van het resterende bedrag aan [gedaagde sub 1] betaald. Daarna volgde nog meer facturen. Omdat [betrokkene 1] niet langer wilde dat [BV II] betrokken was bij de door [gedaagde sub 1] aangeleverde valse facturen, heeft hij in februari 2015 [BV I] opgericht. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] valse facturen op naam van [BV I] bij de gemeente ingediend. Volgens [betrokkene 1] kon hij op enig moment niet langer leven met de frauduleuze handelingen en heeft hij een creditnota opgesteld en aan de gemeente toegezonden. Daarna is de fraude van [BV II] en [BV I] uitgekomen, aldus [BV II] .” 2.21. In het vonnis wordt daarnaast melding gemaakt van een verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd tegenover de Rijksrecherche in het kader van onderzoek naar het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. In het vonnis staat hierover het volgende vermeld: “2.19. (…) De Rijksrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar het door [betrokkene 1] wederrechtelijk verkregen voordeel en hiervan op 16 februari 2021 een rapport opgesteld. In dit rapport zijn de verklaringen opgenomen die [betrokkene 1] bij de Rijksrecherche heeft afgelegd over de geldstromen van de gemeente naar [BV II] en [BV I] . Hij heeft onder meer verklaard dat sprake is van valse facturen van [BV II] en [BV I] : “V: Wat heeft u gedaan wat u niet had moeten doen? A: Ik heb mijn rekening beschikbaar gesteld. V: Uw bankrekening? A: Van mijn BV. V: Welke BV was dat? A: [BV II] (…) O: Hoe zit dat ? A: Hoe zit dat? Staat geen factuur tegenover? Staat geen contract tegenover, noem maar op. Dus in dat kader heb ik het boekhoudkundig moeten oplossen. Nee niet moeten oplossen. Ik heb de heer [gedaagde sub 1] gevraagd van joh van welke facturen V: Terwijl u wist dat die facturen vals waren? A: Die facturen waren vals. Ja, ja ja dat ontken ik ook niet. (…) O: We komen ook een bedrijf tegen die aan u te relateren is. [BV I] A: Ja, dat is mijn BV. V: Wie beheert de bankrekening van dat bedrijf? A: Ik. V: En die hebben werkzaamheden voor de gemeente Den Haag gedaan? A: Nee, die hebben valse facturen … dat zijn die valse facturen. (…) V: Dus [BV I] is opgezet voor de stroom valse facturen? A: Nee. [BV I] is opgezet als zijnde de Holding voor [BV II] BV. Dat is de oorspronkelijk idee. Maar op een gegeven moment heb ik gezegd Ik wil geen valse facturen meer hebben op [BV II] BV, want dat wil ik gewoon zuiver houden want dat is mijn bedrijf mijn kindje, dus als je het doet dan met [BV I] . Want ik voelde die druk nog steeds. Ik wilde niet maar ik kon niet stoppen. Ik had niet het idee dat ik kon stoppen. (…) V: Alle facturen van [BV I] zijn foute facturen? A: Ja.” (…) 2.20. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat [BV II] niet alleen maar valse facturen heeft ingediend bij de gemeente. Er zijn volgens hem ook facturen geweest waarvoor wel werkzaamheden zijn verricht. Hij heeft verklaard dat het gaat om de facturen die zien op de coachingstrajecten van [gedaagde sub 1] en [B] en heeft in dat verband gewezen op het “zelfonderzoek” van BDO. 2.21. [betrokkene 1] heeft daarnaast verklaard dat hij de door de gemeente gedane betalingen aan [BV I] en [BV II] na afdracht van de btw verdeelde tussen hem en [gedaagde sub 1] in de verhouding 35-65 procent. 2.22. De rechtbank heeft [BV II] niet gevolgd in haar verweer dat naast de factuur van 11 april 2016 nog drie andere facturen niet vals zijn. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: “2.22. De Rijksrecherche is op grond van een e-mail van BDO van 7 april 2016 aan [gedaagde sub 1] , waarbij het rapport van zijn “zelfonderzoek” is verzonden, tot de conclusie gekomen dat het aannemelijk is dat de factuur van [BV II] van 11 april 2016 verband houdt met de coaching van [gedaagde sub 1] en dat [BV II] een dienst heeft verleend aan de gemeente. Dat geldt volgens de Rijksrecherche niet voor de andere facturen met dezelfde omschrijving als die van 11 april 2016 (“Coaching dhr. [gedaagde sub 1] , Businesscontroller”), te weten de facturen van 30 april 2016, 30 mei 2016, 30 juni 2016 en 30 juli 2016. Daarvan heeft de Rijksrecherche niet kunnen vaststellen dat hiervoor een prestatie is geleverd, omdat het coachingstraject van [gedaagde sub 1] uitsluitend heeft bestaan uit het door BDO ingestelde onderzoek en bovendien twee facturen hetzelfde factuurnummer hebben. De Rijksrecherche heeft verder geconstateerd dat, gelet op de verklaring van [betrokkene 1] dat [BV II] één factuur heeft opgesteld voor de gesprekken die zij met [B] heeft gevoerd, aannemelijk is dat tegenover de factuur van 1 augustus 2016 met de omschrijving “Coaching medewerker VSB” een tegenprestatie heeft gestaan. Alle andere facturen van [BV II] (en alle facturen van [BV I] ), waarvan de Rijksrecherche heeft vastgesteld dat de gemeente die heeft betaald, lijken volgens de Rijksrecherche vals te zijn. (…) 4.6. Gelet op de inkooporder van 19 februari 2016 (ter hoogte van € 2.930 exclusief btw), de e-mail van BDO van 13 april 2016 en de nadere onderbouwing van de Rijksrecherche heeft [BV II] naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd weersproken dat de factuur van 11 april 2016 vals is, nu zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel degelijk een tegenprestatie (coaching werkzaamheden) heeft verricht. Alhoewel de gemeente het rapport van BDO niet kent, volgt uit de e-mail van BDO van 13 april 2016 dat dit rapport werkelijk is opgesteld en dat de gemeente hiervoor ook opdracht heeft gegeven. Voor zover de gemeente anders meent, heeft zij dit in het licht van de gemotiveerde betwisting van [BV II] onvoldoende onderbouwd. 4.7. De rechtbank is voor de overige drie facturen echter van oordeel dat [BV II] de gemotiveerde stelling van de gemeente dat [BV II] geen werkzaamheden heeft verricht, niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken.” 2.23. De rechtbank heeft [BV II] veroordeeld om de factuurbedragen (met uitzondering van het bedrag van € 3.534,30) als schadevergoeding te betalen aan de gemeente. De rechtbank is voorbijgegaan aan het verweer van [BV II] dat zij hooguit voor 35 procent van de factuurbedragen (exclusief btw) aansprakelijk kan worden gehouden aangezien haar bestuurder – [betrokkene 1] – de overige 65 procent heeft betaald aan [gedaagde sub 1] . Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de onrechtmatige gedraging van [BV II] eruit dat zij valse facturen heeft ingediend bij de gemeente en de betaling hiervan in ontvangst heeft genomen, welke handelen aan haar kan worden toegerekend. Hoe [BV II] vervolgens achter de schermen het geld heeft verdeeld en in welke mate zij ervan heeft geprofiteerd, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet toe. Het gaat erom, zo heeft de rechtbank overwogen, dat [BV II] heeft bewerkstelligd dat de gemeente op basis van valse facturen betalingen aan haar heeft gedaan en dat [BV II] deze gelden in ontvangst heeft genomen, waardoor de gemeente € 207.041,44 schade heeft geleden. Die schade moet [BV II] naar het oordeel van de rechtbank volledig vergoeden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [BV II] een twaalfde deel van de kosten van Hoffmann is verschuldigd aan de gemeente. [BV II] is veroordeeld om aan de gemeente een bedrag van € 211.217,95, vermeerderd met rente en proceskosten (inclusief beslagkosten), te betalen. 2.24. In de procedure tegen [BV I] heeft de rechtbank geoordeeld dat [BV I] onrechtmatig heeft gehandeld door facturen voor niet-uitgevoerde werkzaamheden bij de gemeente in te dienen en de betaling daarvan te aanvaarden. De rechtbank heeft overwogen dat [BV I] ter zitting heeft erkend dat al haar facturen aan de gemeente vals zijn omdat hiervoor geen prestatie is geleverd, en dat al haar facturen – met uitzondering van de factuur van 31 oktober 2019 – door de gemeente zijn betaald. De rechtbank heeft [BV I] veroordeeld om de ontvangen betalingen bij wege van schadevergoeding volledig terug te betalen aan de gemeente. De rechtbank heeft het verweer van [BV I] , dat zij hooguit voor 35 procent van de factuurbedragen (exclusief btw) aansprakelijk kan worden gehouden aangezien haar bestuurder – [betrokkene 1] – de overige 65 procent heeft betaald aan [gedaagde sub 1] , verworpen. De rechtbank heeft op dit op dezelfde wijze gemotiveerd als in het vonnis in de procedure tegen [BV II] . De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [BV I] een twaalfde deel van de kosten van Hoffmann is verschuldigd. [BV I] is veroordeeld om aan de gemeente een bedrag van € 511.309,29, vermeerderd met rente en proceskosten (inclusief beslagkosten), te betalen. 3Het geschil 3.1. De gemeente vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag primair van € 1.824.947,16 en subsidiair van € 87.135, vermeerderd met rente, en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt tot het gehengen en gedogen van de executie van dit vonnis en tot betaling van de proceskosten (inclusief de beslagkosten). 3.2. Aan haar vordering legt de gemeente het volgende ten grondslag. De gemeente stelt primair dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zijn functie als controller bij de gemeente te misbruiken om te bewerkstelligen dat facturen tot een bedrag van € 1.774.829,08 zijn voldaan, waarvoor geen werkzaamheden zijn verricht. Dit komt neer op fraude en bedrog. Volgens de gemeente bestaat het vermoeden dat (een deel van) dit geld aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ten goede is gekomen. De gemeente stelt dat ook [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld omdat moet worden aangenomen dat zij betrokken en/of op de hoogte was, althans heeft moeten zijn van de fraude en het bedrog van [gedaagde sub 1] . De gemeente heeft de schade die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft geleden begroot op voormeld geldbedrag, bestaande uit de optelsom van ten onrechte betaalde facturen, en op de kosten van het rapport van Hoffmann (€ 50.118,08), derhalve in totaal € 1.824.947,16. Subsidiair stelt de gemeente dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van haar. De als gevolg hiervan geleden schade bedraagt volgens de gemeente in elk geval een bedrag van € 87.135, zijnde de optelsom van de contante bedragen die in 2018 op hun rekeningen zijn bijgeschreven (€ 44.750 + € 42.385). 3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagde sub 1] betwist, kort gezegd, dat zijn betrokkenheid bij de betalingen van de facturen buiten zijn normale taken en/of verantwoordelijkheden viel en dat zijn betrokkenheid neerkomt op fraude. Ook [gedaagde sub 2] betwist dit en weerspreekt voorts iedere betrokkenheid bij of kennis van fraude. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Inleiding 4.1. De gemeente stelt dat zij ruim € 1,7 miljoen aan valse facturen heeft betaald en dat zij het slachtoffer is van een grootschalige fraude. De gemeente verwijt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij die fraude te zijn betrokken. Volgens haar heeft [gedaagde sub 1] misbruik gemaakt van zijn functie als controller bij de gemeente en heeft hij het er intern toe geleid dat de frauduleuze facturen aan de twaalf betrokken bedrijven zijn betaald, facturen waartegenover geen prestaties zijn verricht. [gedaagde sub 2] zou volgens de gemeente daarvan hebben geweten, althans daarvan hebben geprofiteerd. De rechtbank komt hierna tot de slotsom dat [gedaagde sub 1] inderdaad op de door de gemeente gestelde wijze bij deze fraude betrokken is geweest en om die reden aansprakelijk is jegens de gemeente voor haar schade. Die schade bestaat uit het bedrag dat de gemeente ten onrechte aan de twaalf betrokken bedrijven heeft betaald. Voor de betrokkenheid van [gedaagde sub 2] heeft de gemeente te weinig aangevoerd. De vordering jegens haar wordt daarom afgewezen. Het rapport Hoffmann 4.2. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ligt het op de weg van de gemeente om de feiten te stellen die, indien zij komen vast te staan, tot de slotsom leiden dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] gehouden zijn tot vergoeding van schade, die de gemeente ten gevolge van de betaling van de facturen heeft geleden. 4.3. De gemeente beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van onrechtmatig handelen, dan wel ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , in belangrijke mate op het rapport van Hoffmann. [gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat dit rapport in deze procedure geen rol mag spelen, althans in ieder geval niet waar het gaat om de uitkomsten van het onderzoek door Hoffmann naar de privé gegevens van [gedaagde sub 1] . Daartoe voert hij aan dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privacy en een schending van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) en het Onderzoeksprotocol integriteitsschending van de gemeente (hierna: Onderzoeksprotocol). Hoffmann heeft inbreuk gemaakt op de privacy van [gedaagde sub 1] door onderzoek te doen naar zijn privé e-mail, mappen op zijn computer, telefoongesprekken en bankgegevens. Uit het rapport van Hoffmann blijkt niet dat zorgvuldig is omgegaan met (deze) persoonsgegevens van [gedaagde sub 1] . Het onderzoek van Hoffmann en de wijze waarop de gemeente [gedaagde sub 1] heeft geïnformeerd over het onderzoek (zowel bij aanvang als tijdens de uitvoering) voldoen niet aan het Onderzoeksprotocol. De gemeente heeft bij de kennisgeving van het onderzoek niet aangegeven wat de aard van het onderzoek was, dat er getuigen zouden worden gehoord en hoe ver het onderzoek zich zou uitstrekken. Tijdens het onderzoek is geen informatie verstrekt over de aanpak en de voortgang. Verder is [gedaagde sub 1] niet aanwezig geweest bij het onderzoek van zijn werkomgeving, is hij niet gehoord door interne onderzoekers, vond het verhoor bij Hoffmann niet in vrijheid plaats en is hij niet in de gelegenheid gesteld om binnen een redelijke termijn schriftelijk of mondeling zijn zienswijze op het rapport kenbaar te maken, terwijl dit alles wel wordt voorgeschreven in het Onderzoeksprotocol. [gedaagde sub 1] wordt bovendien onevenredig benadeeld in zijn verdediging, omdat de gemeente hem geen inzage geeft in de stukken die hebben geleid tot het ontslagbesluit en hij daardoor niet in staat is de conclusies van Hoffmann te controleren, aldus nog steeds [gedaagde sub 1] . 4.4. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] niet in zijn betoog dat aan het onderzoek van Hoffmann gebreken kleven en dat de bevindingen van het rapport van Hoffmann (geheel of gedeeltelijk) buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5. De gemeente heeft voldoende onderbouwd dat zij op basis van de bevindingen van de afdeling Interne Audit een dusdanig concreet vermoeden van een integriteitsschending door [gedaagde sub 1] had dat een nader onderzoek gerechtvaardigd was. Het Onderzoeksprotocol geeft de gemeente de vrijheid om dit onderzoek door een interne of een externe onderzoeker te laten uitvoeren. Het stond haar daarom vrij om Hoffmann hiervoor in te schakelen. Voor zover [gedaagde sub 1] niet volledig is geïnformeerd over de aard en de wijze van onderzoek en de strekking daarvan, heeft hij niet toegelicht en onderbouwd in hoeverre hij daardoor is benadeeld en tot welke concrete gevolgen dit heeft geleid. Dat geldt ook voor het onderzoek naar zijn werkomgeving, nog daargelaten dat op basis van het Onderzoeksprotocol geen sprake is van een absoluut recht van [gedaagde sub 1] om bij het onderzoek van zijn werkomgeving aanwezig te zijn. Overeenkomstig de voorschriften in het Onderzoeksprotocol hebben twee medewerkers van Hoffmann [gedaagde sub 1] gehoord en de inhoud van het gesprek schriftelijk vastgelegd. [gedaagde sub 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zijn verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd. Tijdens het gesprek met Hoffmann had [gedaagde sub 1] juridische bijstand. Uit het verslag volgt dat het gesprek op verschillende momenten is gestopt, zodat hij overleg kon hebben met zijn juridisch adviseur. Hij en zijn juridisch adviseur zijn in de gelegenheid gesteld om het gespreksverslag door te lezen en op- en aanmerkingen te maken en hebben van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. De stelling van [gedaagde sub 1] dat hij tijdens het gesprek is gedwongen om de beschuldigingen te erkennen en het verslag direct ter plekke te tekenen, vindt geen steun in de stukken en daarvoor heeft hij ook overigens geen enkel aanknopingspunt aangereikt. Voor zover [gedaagde sub 1] stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het onderzoeksrapport van Hoffmann, geldt dat hij dit in deze procedure wel heeft kunnen doen en dat hij dat ook heeft gedaan, zodat niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] hierdoor in zijn belangen is geschaad. Dit geldt te meer omdat [gedaagde sub 1] zich er niet over beklaagt dat Hoffmann heeft nagelaten om (nader) onderzoek te doen naar bepaalde stukken of omstandigheden, zodat niet valt in te zien dat een (eerdere) reactie van [gedaagde sub 1] op het rapport tot een andere uitkomst zou hebben geleid. 4.6. De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken van een onrechtmatige schending van de privacy van [gedaagde sub 1] door Hoffmann. De gemeente heeft ter zitting toegelicht dat Hoffmann geen onderzoek heeft gedaan naar privé gegevens van [gedaagde sub 1] , maar uitsluitend naar de gegevens die zijn aangetroffen op de door de gemeente aan [gedaagde sub 1] voor zakelijk gebruik verstrekte laptop en (simkaart van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.