Rechtbank Den HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 21-7044 Zaaknummer: C/09/619536 Datum beschikking: 9 november 2021 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 20 oktober 2021 ingekomen verzoek van: [X] , de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. F.B. Flooren te Arnhem. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [Y] , de vader, wonende te [woonplaats 2] , Verenigd Koninkrijk. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] . - [voornaam] is in de zomervakantie 2021 naar de vader in het Verenigd Koninkrijk afgereisd, en is op 3 september 2021 (of daarna) niet teruggekeerd. Verzoek De moeder heeft verzocht: de onmiddellijke terugkeer te gelasten van [voornaam] naar het woonadres van de moeder in Nederland, althans naar Nederland en daarbij te bepalen dat de onmiddellijke teruggeleiding uiterlijk op 22 oktober 2021, dan wel op een nader door de rechtbank te bepalen datum en wijze dient te geschieden waarbij de vader [voornaam] dient terug te brengen naar Nederland en over te dragen aan de moeder, althans indien de vader nalaat om [voornaam] binnen de door de rechtbank te stellen termijn terug te laten keren naar de moeder / Nederland, te bevelen dat de vader [voornaam] op voornoemde datum dient te overhandigen aan de moeder, waarbij de rechtbank dient te bepalen dat de vader tevens de geldige reisdocumenten of het geldige reisdocument van [voornaam] aan de moeder dient te verstrekken teneinde terugkeer naar Nederland mogelijk te maken; te bepalen dat de voorlopige voogdij wordt uitgesproken over [voornaam] , waarbij de rechtbank de instantie aanwijst die belast wordt met deze voorlopige voogdij, onder de bepaling dat deze voorlopige voogdij eindigt op het moment van afgifte van [voornaam] aan de moeder dan wel de teruggeleiding van [voornaam] naar Nederland; te bepalen dat de vader veroordeeld wordt in de reële proceskosten opkomende zijdens de moeder, daaronder begrepen de door de moeder aan haar raadsvrouwe verschuldigde eigen bijdrage en het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht alsmede in de kosten die de moeder heeft in verband met het (bijwonen van de behandeling van het) verzoek tot teruggeleiding van [voornaam] naar Nederland, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Het verzoek is – gelet op de hierin gekozen bewoordingen kennelijk – gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn partij bij het Verdrag. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. De Nederlandse rechter moet ambtshalve toetsen of hij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van [voornaam] vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland. De beslissing op een op het Verdrag gebaseerde vordering tot onmiddellijke teruggeleiding is geen beslissing ten gronde, maar heeft het karakter van een ordemaatregel. In het Verdrag is niet geregeld welke rechterlijke autoriteit in geval van een rechtstreeks bij de rechter ingediend verzoek tot teruggeleiding bevoegd is daarvan kennis te nemen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat – gelet op de systematiek van het Verdrag – moet worden aangenomen dat een op het Verdrag gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat, naar zeggen van de verzoekende ouder, ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt (HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Nu de vader [voornaam] volgens de stelling van de moeder zonder haar toestemming heeft achtergehouden in het Verenigd Koninkrijk en het Verenigd Koninkrijk is aangesloten bij het Verdrag, is de Nederlandse rechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van [voornaam] vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland. Door de moeder zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Vanwege dit oordeel komt de rechtbank evenmin toe aan (een inhoudelijke beoordeling van) het verzoek om voorlopige voogdij als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure zal de rechtbank beslissen dat elke procespartij de eigen proceskosten draagt. De rechtbank acht dit temeer redelijk, nu de moeder haar verzoek niet bij de juiste rechter heeft ingediend. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. Beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland, alsmede van het met dit hoofdverzoek samenhangende verzoek om voorlopige voogdij; bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.W. van Ravenstein, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.B. van Angeren als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 november 2021. Van deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof – in beginsel – plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.