← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:12428

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13781 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], eiseres mede namens haar minderjarige kinderen: [naam2] , V-nummer: [nummer2] [naam3] , V-nummer: [nummer3] (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden). Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaken NL21.13779, NL21.13780, NL21.13782, NL21.13783, NL21.13784, NL21.14486 en NL21.14487, op 20 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Toma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Haar kinderen stellen te zijn geboren op [geboortedatum2] respectievelijk [geboortedatum3] en eveneens de Syrische nationaliteit te bezitten. Op 6 maart 2021 heeft eiseres een asielaanvraag in Nederland ingediend.
  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Denemarken een verzoek om terugname gedaan. Denemarken heeft dit verzoek aanvaard.
  3. Eiseres voert daartegen aan dat ten aanzien van Denemarken niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verblijfsvergunning asiel van haar echtgenoot is ingetrokken door de Deense autoriteiten en aan hem is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiseres had een verblijfsvergunning in Denemarken op grond van nareis, maar deze verblijfsvergunning is ingetrokken als gevolg van de ingetrokken verblijfsvergunning van haar echtgenoot. Eiseres meent dat bij overdracht aan Denemarken sprake is van indirect refoulement, nu de Deense autoriteiten haar en haar gezin dreigen uit te zetten naar Syrië. Dat door Nederland is beoordeeld dat in Syrië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de van de Kwalificatierichtlijn, maakt dat niet anders. De Nederlandse autoriteiten verlenen namelijk wel beleidsmatig verblijfsvergunningen aan Syriërs. Verweerder bagatelliseert de omstandigheid dat Denemarken Syriërs in uitzetcentra plaatst. In Denemarken is sprake van het “uitroken van mensen in kampen”, aldus eiseres. Verder voert eiseres aan dat het standpunt van verweerder dat het instellen van beroep in Denemarken mogelijk is, onjuist is. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eiseres een klacht kan indienen bij het EHRM, omdat Denemarken niet daadwerkelijk vreemdelingen uitzet naar Syrië en een interim measure slechts uitzetting kan voorkomen. Daarnaast handelt Denemarken in strijd met de Terugkeerrichtlijn en het arrest TQ door terugkeerbesluiten uit te vaardigen maar deze niet te effectueren. Tot slot heeft eiseres ter zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 14 september
  4. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. Niet in geschil is dat de Denemarken in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
  6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Denemarken zijn internationale verplichtingen op grond van het EVRM, het Handvest en de Dublinverordening nakomt. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres is daarin niet geslaagd.
  7. Met het claimakkoord hebben de Deense autoriteiten gegarandeerd dat eiseres een asielverzoek kan indienen en dat deze zorgvuldig zal worden behandeld. De garantie omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod op refoulement zal zijn. Het is daarom niet op voorhand aannemelijk dat sprake zal zijn van (indirect) refoulement bij de overdracht van eiseres aan Denemarken. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de Deense autoriteiten Syriërs niet feitelijk uitzet. Als Denemarken in strijd handelt met het verbod op refoulement dient eiseres zich daarover te beklagen bij de (hogere) Deense autoriteiten of het EHRM. Uit het claimakkoord blijkt dat de Deense autoriteiten op 25 februari 2021 hebben beslist dat de verblijfsvergunning van de echtgenoot van eiseres niet wordt verlengd en dat als gevolg daarvan de verblijfsvergunningen van eiseres en haar minderjarige kinderen ook niet zijn verlengd. Gebleken is dat de echtgenoot van eiseres beroep heeft ingesteld bij het Refugee Appeals Board, maar dat hij dit beroep later weer heeft ingetrokken. Dit terwijl uit het bestreden besluit volgt dat het Refugee Appeals Board beoordeelt of een vreemdeling op individuele gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning en in een aantal gevallen beslissingen van de Deense immigratiedienst heeft teruggedraaid. De stelling van eiseres ter zitting dat het Refugee Appeals Board mogelijk geen effectief rechtsmiddel is, kan en dient te worden voorgelegd aan het EHRM. Het is in beginsel niet aan de Nederlandse rechter om te beoordelen of de rechters in Denemarken een effectief rechtsmiddel bieden. Anders dan eiseres stelt, is niet gebleken dat de rechtsgang naar het EHRM voor haar niet mogelijk dan wel zinloos is.
  8. Uit het bestreden besluit volgt verder dat in ieder geval enkele Syriërs van wie het asielverzoek is afgewezen in een detentie- of terugkeercentrum zijn geplaatst. Niet is gebleken dat Syrische asielzoekers structureel in detentie worden geplaatst. De enkele stelling daartoe van eiseres is onvoldoende. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in een detentie- of terugkeercentrum zal worden geplaatst. Voor zover de plaatsing in een detentie- of terugkeercentrum wel structureel zou zijn, is niet gebleken van zodanig slechte omstandigheden in deze centra dat sprake zou zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM. Indien eiseres in een detentiecentrum wordt geplaatst, mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden aangenomen dat hierover kan worden geklaagd bij de Deense rechter en bij het EHRM.
  9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat Denemarken niet is gebonden aan de Terugkeerrichtlijn. Om die reden kan eiseres niet worden gevolgd in de stelling dat Denemarken in strijd met de Terugkeerrichtlijn en het arrest TQ handelt.
  10. Het beroep is ongegrond.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  12. Verordening (EU) nr. 604/
  13. Richtlijn 2011/95/EU. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Richtlijn 2008/115/EG. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:
  14. ECLI:NL:RBDHA:2021:
  15. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.