beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/519198 / HA RK 16-486 Beschikking van 28 oktober 2021 in de zaak van [verzoeker] en [verzoeker] zowel pro se als wettelijke vertegenwoordigers van [dochter] te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. J.R. Wildeboer te Hoofddorp en STICHTING HAGAZIEKENHUIS te Den Haag , belanghebbende, advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht. Verzoeker wordt hierna afzonderlijk aangeduid met ‘mevrouw [verzoeker] ’ en ook ‘de dochter’ alsmede gezamenlijk ‘ [verzoeker] ’. Verweerster wordt hierna ‘het Hagaziekenhuis’ of ‘het ziekenhuis’ genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 30 september 2016, met producties; het verweerschrift, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 23 januari 2017, met producties; de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2018, waarin een voorlopig deskundigenonderzoek is bevolen; de brief van 13 januari 2021 (met drie bijlagen) van de zijde van het ziekenhuis, houdende een bezwaar tegen het beroep van mevrouw [verzoeker] (‘de moeder’) op het blokkeringsrecht tevens verzoek tot het bepalen van een mondelinge behandeling; het verweer daartegen van de zijde van [verzoeker] , bij brief van 17 februari 2021; de mondelinge behandeling van 11 mei 2021. Hierbij is verschenen namens [verzoeker] mevrouw [verzoeker] (de moeder), bijgestaan door mr. J.R. Wildeboer voornoemd en namens het Hagaziekenhuis mevrouw J. Peters (jurist) en mevrouw mr. J.A.J. Faassen (Centramed), bijgestaand door mr. M.J.J. de Ridder voornoemd. 2De procedure tot nu toe 2.1. In deze zaak is bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2018 een door [verzoeker] verzocht voorlopig deskundigenonderzoek bevolen, zoals bedoeld in artikel 202 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’). Het Hagaziekenhuis heeft zich niet verzet tegen het houden van voornoemd voorlopig deskundigenonderzoek. Conform het verzoek van partijen heeft de rechtbank dr. A.F. Bos, hoogleraar kindergeneeskunde (‘de deskundige’), benoemd tot deskundige. 2.2. Partijen waren het eens over de vraagstelling aan de deskundige, die luidde als volgt: Kunt u een zo volledig mogelijke en chronologische beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis van [dochter] tot op heden? Kunt u daarbij in elk geval aangeven welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat en wat de bevindingen waren bij onderzoek en aanvullend onderzoek? Hebben de betrokken kinderartsen (-neonatalogen) naar uw oordeel gehandeld zoals op dat moment van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mag worden of is er op enig moment sprake geweest van verwijtbaar, onzorgvuldig, onkundig dan wel nalatig medisch handelen? Indien u meent dat er op enig moment sprake is geweest van verwijtbaar handelen, wilt u dan zo uitvoerig en beargumenteerd mogelijk aangeven waarin of waaruit dit verwijtbaar handelen heeft bestaan en hoe wel gehandeld had dienen te worden? En op welk moment? Indien u meent dat er sprake is geweest van verwijtbaar medisch handelen kunt u dan aangeven wat hiervan naar uw oordeel eventuele nadelige gevolgen zijn of zijn geweest voor [dochter] ? Heeft u naar aanleiding van deze casus nog verdere opmerkingen? 2.3. [verzoeker] heeft het voorschot op de kosten van de deskundige van € 3.872 inclusief btw betaald. 2.4. De rechtbank heeft partijen er in voornoemd vonnis op gewezen dat, indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij dient te verstrekken. 2.5. De rechtbank heeft partijen er ook op gewezen dat zij wettelijk verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek door de deskundige, bij gebreke waarvan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. Deze verplichting is verwoord onder 1.5 en in het dictum onder 2.9. 2.6. In het dictum van voornoemde beschikking is – voor zover relevant – beslist dat: de deskundige [verzoeker] in de gelegenheid moet stellen gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (‘BW’); indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, de deskundige een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden) en; indien [verzoeker] binnen die termijn meedeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen. 2.7. Bij brief van 21 januari 2020 heeft de deskundige aan de rechtbank geschreven dat de conceptrapportage gereed is, dat hij deze die week aan de ouders zal sturen, zodat zij dit als eerste kunnen inzien en kunnen beslissen of ze gebruikmaken van het inzage- en blokkeringsrecht en dat hij er vanuit gaat dat ze daar geen gebruik van willen maken indien hij binnen twee weken geen reactie ontvangt, in welk geval hij de rapportage zal doorsturen naar partijen. 2.8. In antwoord op een rappel van de rechtbank van 27 maart 2020 heeft de secretaresse van de deskundige bij e-mailbericht van 28 april 2020 bericht dat de deskundige half maart is uitgevallen wegens ziekte en dat hij daarvan nog niet is hersteld, maar dat hij zijn rapportage in de weken daarna zal proberen af te ronden. 2.9. Bij e-mailbericht van 10 september 2020 heeft de secretaresse van de deskundige het volgende aan de rechtbank geschreven: “(…). Het rapport is klaar maar prof. Bos wacht nog op reactie van mw. [verzoeker] (de verwachting is binnen een week) over het wel dan niet gebruik maken van het blokkeringsrecht.” 2.10. In antwoord op bovenstaand e-mailbericht heeft de rechtbank partijen en de deskundige bij brief van 11 september 2020 bericht dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 29 oktober 2020 in afwachting van het definitieve deskundigenrapport. 2.11. Bij brief van 10 november 2020 heeft het ziekenhuis gevraagd naar de stand van zaken. 2.12. Bij brief van 11 november 2020 heeft de rechtbank de deskundige gerappelleerd, hem verzocht de stand van zaken door te geven en gemeld dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 10 december 2020. 2.13. Bij brief van 21 december 2021 heeft [verzoeker] het ziekenhuis geschreven dat zij zich alle rechten richting het ziekenhuis voorbehoudt en dat de brief aldus dient te worden opgevat als een mededeling volgens artikel 3:317 BW ter stuiting van de lopende verjaringstermijn. 2.14. Bij e-mailbericht van 22 december 2020 heeft de deskundige de rechtbank geschreven dat hij zijn werkzaamheden zal staken, aangezien de moeder hem op donderdag 17 december 2020 heeft laten weten “(toch)” gebruik te willen maken van haar blokkeringsrecht. 2.15. Bij faxbericht van 22 december 2020 heeft het ziekenhuis verwezen naar het e-mailbericht van 10 september 2020 en geschreven dat de termijn om gebruik te kunnen maken van het blokkeringsrecht, verstreken is. Het ziekenhuis vraagt om een kopie van het deskundigenbericht. 2.16. Bij brief van 24 december 2020 heeft de rechtbank de deskundige en partijen bericht dat de zaak pro-forma wordt aangehouden tot 28 januari 2021, in afwachting van de brief van de deskundige ter zake van het staken van zijn werkzaamheden. 2.17. Bij brief van 6 januari 2021 heeft mr. J. Wildeboer de rechtbank bericht dat hij [verzoeker] in het vervolg zal bijstaan. Mr. Wildeboer bevestigt dat [verzoeker] gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht. 3Het geschil 3.1. Het verzoek van het ziekenhuis – kenbaar gemaakt bij brief van 13 januari 2020 in deze procedure - strekt ertoe te bepalen dat: de deskundige zijn concept-deskundigenbericht aan het ziekenhuis beschikbaar stelt althans, voor zover dat ziet op de beantwoording van de vragen 2 t/m 5 (2.2) althans, voor zover dat ziet op een beoordeling van de betrokken artsen en; de moeder eventueel tussen haar en de deskundige gevoerde correspondentie aan het ziekenhuis (alsnog in afschrift) dient te verstrekken ex artikel 198 lid 2 Rv. 3.2. Het ziekenhuis legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag: de termijn om zich te kunnen beroepen op het blokkeringsrecht is verstreken op 24 september 2020; het blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2 onder b BW is in deze medische aansprakelijkheidszaak niet van toepassing. De beoordeling van de deskundige is niet gericht op de beoordeling van de gezondheidstoestand van de dochter als bedoeld in artikel 7:446 lid 4 BW, maar op de vraag of de betrokken artsen onzorgvuldig hebben gehandeld. Het blokkeringsrecht is in ieder geval niet van toepassing op de vragen 2 t/m 5, die juist daarop zien. In ieder geval is niet duidelijk welk belang de moeder heeft om zich thans namens haar dochter te beroepen op het blokkeringsrecht. De enige legitieme reden is bescherming van de privacy. Dat dit de reden is, is gesteld noch gebleken en dit valt ook niet in te zien, gelet op genoemde aard van het onderzoek. Daarnaast betwist het ziekenhuis dat de moeder zich namens haar dochter kan beroepen op het blokkeringsrecht, nu de dochter inmiddels 16 jaar oud is (artikel 7:450 BW); het ziekenhuis heeft een zwaarwichtig belang bij inzage, voor zover het de beoordeling van het handelen van de betrokken artsen betreft. Gelet op de stuitingshandelingen van [verzoeker] moet het ziekenhuis zich op haar positie kunnen beraden; e door [verzoeker] aan de deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.