Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/2594 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2021 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] gemachtigde: mr. S. Mooij, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. H. Chamkh. Procesverloop Op 4 maart 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Bij besluit van 4 juni 2019 (zaaknummer Z1-68085631554) (het primaire besluit 1) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 4 juni 2019 (zaaknummer Z1-71464656852) (het primaire besluit 2) heeft verweerder vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van eiseres als familielid van een gemeenschapsonderdaan (referent [naam referent] ) per 31 december 2016 van rechtswege is geëindigd. Eiseres heeft op 27 juni 2019 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en
(2009)313 definitief; hierna: de richtsnoeren) staat dat “[gevraagd kan worden] bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de vreemdeling partner is van een EU-burger en dat het partnerschap duurzaam is. Het bewijs kan geleverd worden met elk passend middel. 5.3 Artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn bepaalt, voor zover relevant, dat onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), niet leiden tot verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten: a) indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b), ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland, of (…). 5.
- Artikel 8.7, vierde lid, van het Vb bepaalt dat het verblijfsrecht van EU-burgers in paragraaf 2 van het Vb eveneens van toepassing is op de ongehuwde partner die een EU-burger naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die EU-burger heeft. 5.5 Artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vb bepaalt dat onverminderd het vijfde lid het rechtmatig verblijf evenmin eindigt door de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerde partnerschap indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding of nietigverklaring, onderscheidenlijk het partnerschap voor beëindiging daarvan, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven. 5.6 Uit het beleid van artikel B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder, in aanvulling op artikel 8.7, vierde lid, van het Vb, aanneemt dat een duurzame relatie bestaat als de burger van de Unie en de ongehuwde partner voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden. Beoordeling 5.7 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 6 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS1678, staat de Verblijfsrichtlijn er niet aan in de weg dat een duurzame relatie pas wordt aangenomen indien wordt aangetoond dat de ongehuwde partner en de burger van de Unie, die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer, ten minste zes maanden een relatie hebben. De richtlijn staat er naar het oordeel van de Afdeling evenmin aan in de weg dat een duurzame relatie in beginsel pas wordt aangenomen wanneer de partners gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding voeren. Voorts kan van partners, die stellen een duurzame relatie te onderhouden en die stellen in Nederland samen te wonen, deugdelijk bewijs van die samenwoning worden verlangd. Door echter, behoudens omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, uitsluitend een GBA-inschrijving gedurende zes maanden, danwel de geboorte van een kind, als bewijs van de gestelde duurzame relatie te accepteren, geeft de minister gelet op de richtlijn een te beperkte uitleg aan het begrip deugdelijk bewezen duurzame relatie. In de uitspraak wordt ook overwogen dat richtlijnconforme interpretatie van de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 van de Awb met zich meebrengt dat, wanneer een familielid zijn verklaring dat hij een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, onderbouwt met bewijs, verweerder dit bewijs dient te beoordelen en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond. Verweerder kan in dat geval, ter motivering van het standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, aldus niet louter volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van voormelde GBA-inschrijving.
- Niet in geschil is dat eiseres vanaf 2 januari 2014 met haar Britse ex-partner [naam referent] heeft samengewoond op hetzelfde adres en dat deze relatie door verweerder als duurzaam is aangemerkt. Ook is niet in geschil dat de samenwoning tussen eiseres en haar toenmalige partner op 31 december 2016 is geëindigd en dat eiseres andere bewijsmiddelen heeft ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat deze relatie zich ook na 31 december 2016 heeft voortgezet. Meer specifiek heeft eiseres gesteld en onderbouwd dat haar partner niet verhuisde vanwege beëindiging van de relatie maar vanwege een studie in een andere stad en dat de relatie tot begin 2018 is voortgezet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door in dit specifieke geval van eiseres alleen een gezamenlijke huishouding en feitelijke samenwoning als bewijs van de gestelde duurzame relatie te accepteren en geen acht te slaan op de overige door eiseres overgelegde stukken, een te beperkte uitleg heeft gegeven van het begrip 'deugdelijk bewezen duurzame relatie'. Een richtlijnconforme interpretatie van de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 van de Awb brengt met zich mee dat wanneer een familielid, in een situatie als hier aan de orde, haar verklaring dat zij nog altijd een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, onderbouwt met bewijs, verweerder dit bewijs dient te beoordelen en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond. Verweerder kan in dat geval, ter motivering van het standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, niet louter volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van samenwoning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiseres overgelegde stukken daarom had moeten beoordelen en niet louter had kunnen volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van samenwoning. Gelet hierop acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat artikel 8.15, vierde lid van het Vb in dit geval toepassing mist en dat eiseres geen verblijfsrecht toekomt als bedoeld in artikel 8.17 van het Vb, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt dus. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 3:2, 3:46 en 3:47 van de Awb.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na verzending van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Eertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november
- De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.