← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:12727

Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/619465 / FA RK 21-7016 Datum uitspraak: 1 november 2021 Beschikking van de kinderrechter Afwijzing verzoek tot voorlopige voogdij ex artikel 1:241 Burgerlijk Wetboek in de zaak naar aanleiding van het op 19 oktober 2021 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad, betreffende: [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , ten tijde van indiening van het verzoekschrift nog ongeboren, hierna te noemen: de minderjarige. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vrouw] hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] en Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. De kinderrechter heeft als informant aangemerkt: [de man] zijnde de vader van de moeder, de grootvader van de minderjarige, hierna te noemen: de grootvader, wonende te [woonplaats] Het procesverloop Bij beschikking van 19 oktober 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is het ongeboren kind als reeds geboren aangemerkt en is de gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind belast van 19 oktober 2021 tot 30 oktober

  1. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 1 november
  2. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen. Op 1 november 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad; [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling, met een stagiaire als toehoorder. De moeder en de grootvader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Verzoek Het verzoek strekt er toe de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat de moeder minderjarig is en daarom onbevoegd om het wettelijke gezag over de minderjarige uit te oefenen. Op het moment van geboorte is een gezagsvacuüm ontstaan. Daar komt bij dat de moeder zich in een kwetsbare situatie bevindt. Zij is pas sinds korte tijd woonachtig in Nederland en spreekt de taal niet. Zij verblijft sinds een aantal maanden bij de grootvader, met wie zij daarvóór weinig contact had. De Raad acht het noodzakelijk dat in de gezagsuitoefening van de minderjarige wordt voorzien om haar belangen te kunnen behartigen. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting medegedeeld dat er nog geen contact is geweest met de moeder. Dat zal op korte termijn plaatsvinden. Beoordeling De kinderrechter stelt vast dat de bij beschikking van 19 oktober 2021 verleende spoedvoorziening tot voorlopige voogdij is geëxpireerd en dat de mondelinge behandeling van het verzoek ongelukkigerwijs is gepland na die expiratiedatum. Omdat de voorlopige voogdijvoorziening reeds is komen te vervallen, is er thans geen grondslag meer om een vervolgbeslissing te nemen op dat verzoek. Verder overweegt de kinderrechter dat zij op dit moment onvoldoende aanleiding ziet om het onderhavige verzoek, gelet op de omstandigheden voornoemd, op te vatten als een nieuw (spoed)verzoek. Hoewel de kinderrechter zich realiseert dat de minderjarige niet onder het vereiste wettelijke gezag staat, omdat de moeder minderjarig is, is er naar haar oordeel geen sprake van een situatie waarbij het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening te voorzien zonder de moeder daarover te horen. Uit de stukken en ter zitting is niet gebleken dat het horen niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige (ex artikel 800 lid 3 Wetboek van Rechtsvordering). Ter zitting is door de Raad toegelicht dat het goed gaat met de minderjarige. Uit de stukken maakt de kinderrechter op dat de moeder en de grootvader zich niet onttrekken aan de nodige zorg en begeleiding. Gelet op het voorgaande is het verzoek naar het oordeel van de kinderrechter niet voor toewijzing vatbaar. Om die reden zal het verzoek worden afgewezen. Beslissing De kinderrechter: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.M. Engbers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Dreef als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 november
  3. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 10 november. Hoger beroep kan tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.