← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:12734

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/9102 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2021 in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop In het besluit van 22 november 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Afsluitingsregeling afgewezen. In het besluit van 31 december 2019 (primair besluit II) heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod opgelegd van twee jaar. In het besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
  2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  3. Bij mondelinge uitspraak van 1 november 2021 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster gegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
  4. Nu de rechtbank het beroep van verzoekster gegrond heeft verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,-. (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk; - draagt verweerder op het griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november
  5. De voorzieningenrechter is verhinderd te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.