← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:13002

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/6121 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2021 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: C. Hof), en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder(gemachtigde: S. van Belzen). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) een vergoeding van € 6.077,52 inclusief btw aan verzoeker toegekend voor de aanschaf van een scootmobiel en een beschermhoes. Verzoeker heeft op 24 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Daarnaast heeft hij bij brief van 20 september 2021 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 28 september 2021 heeft verzoeker zijn verzoek aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen

  1. Uit het vijfde lid van artikel 8:81 van de Awb volgt dat indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
  2. In dit geval is het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend hangende bezwaar. Inmiddels heeft verweerder bij besluit van 21 september 2021 het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter verzoeker bij brief van 11 oktober 2021 in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen tegen deze beslissing op bezwaar.
  3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de beroepstermijn inmiddels is verstreken en dat verzoeker geen beroepschrift heeft ingediend tegen voornoemde beslissing op bezwaar, zoals bedoeld in artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening evenmin ingetrokken. Als gevolg hiervan wordt niet langer aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste voldaan. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november
  5. griffier voorzieningenrechter De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.