← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:13080

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats AmsterdamBestuursrecht zaaknummer: NL21.3362 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker [V-Nummer] (gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk). Procesverloop In het besluit van 5 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in de zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-. Overwegingen

  1. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en werkt als zelfstandig stukadoor in Nederland. Hij wil op grond daarvan rechtmatig verblijf. Daartoe heeft hij, nu voor de vierde keer, een aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit afgewezen.
  2. Na het bestreden besluit heeft verzoeker verscheidene nadere stukken ingediend.
  3. Gelet op deze nadere stukken – vooral de omvang en de inhoud daarvan – kan de voorzieningenrechter in deze voorlopige-voorzieningenprocedure niet beoordelen of het bezwaar kans van slagen heeft. Verweerder zal zich daarover eerst in een beslissing op bezwaar moeten uitlaten.
  4. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat er geen sprake is van spoedeisend belang omdat er geen concrete plannen zijn om verzoeker uit te zetten. Ter zitting heeft verweerder geen toezegging kunnen doen dat verzoeker niet tot de beslissing op bezwaar zal worden uitgezet, waardoor de dreiging van uitzetting nog altijd boven verzoekers hoofd hangt.
  5. Gelet daarop wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021 door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.