vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/589662 / HA ZA 20-276 Vonnis van 15 december 2021 in de zaak van 1 [eiser 1] te [plaats] , 2. [eiser 2] te [plaats] , eisers, advocaat mr. J. Wijnja te Dordrecht, tegen DE GEMEENTE LEIDEN te Leiden, gedaagde, advocaat mr. M.K.L. Berkvens te Den Haag. Partijen zullen hierna [eisers] en de Gemeente genoemd worden. 1De procedure 1.1. Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit: de dagvaarding van 2 maart 2020, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis van 2 juni 2021, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de wijze van voortprocederen; de rolbeslissing van 16 juni 2021, waarin is bepaald dat de zitting fysiek zal plaatsvinden; de akte overlegging producties van [eisers] 10 september 2021, met producties; de akte houdende overlegging aanvullende productie aan de zijde van de Gemeente van 10 september 2021, met één productie; de akte houdende overlegging aanvullende productie van de Gemeente van 10 september 2021, met één productie; het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 10 september 2021 en de daarin genoemde stukken; de akte ex art. 22 Rv. tevens akte tot rectificatie van [eisers] van 29 september 2021, met producties; de antwoordakte van de Gemeente van 13 oktober 2021. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eisers] hebben hiervan gebruik gemaakt bij brief van 5 oktober 2021. De Gemeente heeft hiervan bij brief van 6 oktober 2021 gebruik gemaakt. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de opmerkingen van [eisers] en de Gemeente. 2De feiten 2.1. Sinds 31 augustus 2009 zijn [eisers] eigenaar van een monumentale [naam boerderij] (hierna: de boerderij) en een schuur aan de [straatnaam] [nr. X] respectievelijk [nr. Y] te [plaats] . De boerderij en schuur zijn gelegen in een oksel tussen de [straatnaam] en de rijksweg A44. 2.2. De boerderij is ongeveer 400 jaar oud en is gefundeerd op staal. Dat betekent dat de boerderij op de zandlaag onder het maaiveld staat, zonder funderingspalen. 2.3. In 1968 is de boerderij aangewezen als rijksmonument en in 1985 is de boerderij gerenoveerd. 2.4. Voorafgaand aan de koop van de boerderij hebben [eisers] van de verkoper een bouwkundig inspectierapport van 9 september 2008 ontvangen, opgemaakt door Keurhuis Nederland (hierna: Keurhuis). Het rapport vermeldt, voor zover nu van belang, het volgende: “Er is enige scheurvorming in de gevels geconstateerd, als gevolg van zetting. Gezien de “oude” scheuren, en het niet aanwezig zijn van “nieuwe” scheurvorming, kan worden verondersteld dat er momenteel geen zetting plaats vindt. Indien de omstandigheden van de grond (door verdroging, verlaging van de grondwaterstand en/of lekkages in de grond) veranderen is het mogelijk dat de woning verder verzakt.” 2.5. [eisers] hebben Raadgevend Ingenieursbureau Van Dijke B.V. (hierna: Van Dijke) ingeschakeld om de constructie van de boerderij en schuur te onderzoeken. Hiervan is in een brief van 21 januari 2009 rapport uitgebracht. In dit rapport is, voor zover nu van belang, over de gevels het volgende te lezen: “In de gevels zijn diverse scheurvormingen waargenomen. (…) De conclusie is dat de constructie van de boerderij, gelet op het bouwjaar, goed te noemen is. (…) In de gevels is, zoals reeds gemeld, enige scheurvorming waargenomen. Dit zijn “oude” scheuren, “nieuwe” scheuren zijn niet waargenomen. Omdat er geen “nieuwe” scheuren zijn waargenomen mogen we ervan uitgaan dat er momenteel geen zetting plaatsvindt. Indien de omstandigheden in de grond wijzigen, kunnen er weer zettingen optreden. Tevens willen wij adviseren om de huidige gevelankers te controleren op kwaliteit. Als deze teveel zijn aangetast, dienen deze vervangen te worden.” 2.6. Daarnaast hebben [eisers] de boerderij laten taxeren door Fides Makelaardij B.V. Hiervan is op 11 februari 2009 rapport uitgebracht. 2.7. Op 30 of 31 september 2009 heeft Monumentenwacht de boerderij geïnspecteerd en zij heeft hiervan rapport uitgebracht. Over de voorgevel maakt het rapport melding van het volgende gebrek: “De gevelankers zijn door roest aangetast en linker anker zorgt voor lekkage. Hersteladvies: het is aan te raden de gevelankers uit te nemen, te ontroesten en duurzaam te conserveren.” Over de rechter zijgevel wordt het volgende gebrek gemeld: “In het metselwerk zijn enkele lichte scheuren zichtbaar.” 2.8. Sinds zij de boerderij zijn gaan bewonen hebben [eisers] last van trillingen die worden veroorzaakt door het passerende verkeer op de [straatnaam] . 2.9. Op 25 augustus 2010 en 7 april 2011 hebben [eisers] bij de Gemeente gemeld dat de [straatnaam] onderhoud behoeft. 2.10. Bij brief van 21 juli 2011 heeft de Gemeente aan [eisers] laten weten dat er werkzaamheden aan de [straatnaam] zullen gaan plaatsvinden ter plaatse van de boerderij tussen 16 augustus en 9 september 2011. 2.11. Voorafgaand aan die werkzaamheden is geen onderzoek verricht naar de mogelijk schadelijke effecten van deze werkzaamheden op belendende percelen en heeft geen vooropname bij de boerderij plaatsgevonden. 2.12. Op 15 augustus 2011 is een aannemer in opdracht van de Gemeente begonnen met het slopen van het wegdek van de [straatnaam] , waarbij een graafmachine met een pneumatische hamer gaten in het asfalt heeft geslagen. Omdat [eisers] in de boerderij hevige trillingen ervoeren door deze sloopwerkzaamheden, zijn zij voor de graafmachine gesprongen. Daarop zijn de sloopwerkzaamheden tijdelijk stilgelegd en op enig moment weer hervat, waarbij het wegdek op aangepaste wijze verder is gesloopt. 2.13. In de jaren 2012, 2013 en 2014 hebben [eisers] diverse malen contact met de Gemeente gezocht en verzocht om (verkeers)maatregelen te treffen die (verdere) schade aan de boerderij als gevolg van trillingen konden voorkomen. 2.14. Naar aanleiding hiervan heeft de Gemeente in 2014 een putdeksel in de [straatnaam] ter hoogte van de boerderij vervangen, zodat deze beter aansloot op het wegdek. 2.15. Bij brief van 1 oktober 2014 hebben [eisers] de Gemeente om hulp gevraagd voor de bescherming van de boerderij tegen (verdere) schade door trillingen als gevolg van de op 15 augustus 2011 verrichte sloopwerkzaamheden en als gevolg van het verkeer op de [straatnaam] . 2.16. Op 8 januari 2015 heeft de Gemeente de boerderij geïnspecteerd. Het rapport van deze schouw is bij brief van 25 mei 2015 aan [eisers] toegezonden. In het schouwrapport is onder meer het volgende te lezen: “Van duidelijk waarneembare zakkingen van de fundering is geen sprake. Het stucwerk in de voorgevel vertoont veel schade. De stenen voorzetwanden vertonen nauwelijks scheuren en zeker geen scheuren die op zettingen duiden. Dit type wand zou zettingen duidelijk aangeven. Her en der zijn scheuren in de buitenmuren te zien die naar mijn mening meestal oud lijken en soms misschien alleen in het stucwerk zitten. Voor een pand van deze leeftijd is het aantal scheuren dat door de hele muurdikte loopt niet bijzonder groot. Binnen zijn weinig scheuren te zien. Het scheurpatroon in de voorgevel wijst niet erg overtuigend op een zakking van het rechterdeel van de voorgevel maar zou ook kunnen zijn ontstaan door genoemde tordering. De indruk is dan ook dat de steenconstructies niet veel te leiden hebben onder de trillingen. Bij de scheuren die te zien zijn kunnen ook bouwfysische factoren een rol spelen. De spouw die gecreëerd is, is niet geventileerd en daardoor kan vooral de buitenmuur veel vocht bevatten en gevoeliger worden voor temperatuurswisselingen. Dit kan een slechte invloed hebben op het stucwerk op de gevel. Daar waar aan de binnenzijde van de gevel steenwoldekens zijn bevestigd is de kans op condensatie in de oude muur nog groter en dus ook nadelig voor de stuclaag. Deze situatie doet zich voor op de vliering bij de voorgevel. Het dakbeschot is verkeerd geïsoleerd (zonder dampremming of geventileerde spouw) en zat door wisselend vochtgehalte kunnen uitzetten en krimpen. Daarbij worden misschien de voor- en achtergevel horizontaal belast. De invloed hiervan op die gevels worden gering geacht maar kan dit kan niet worden uitsluiten. De loszittende muurankers kunnen de robuustheid van de constructie negatief beïnvloeden en leiden tot een betere voelbaarheid van de verkeerstrillingen. Daarnaast zijn er rondom diverse zichtbare en verborgen gevelankers scheuren zichtbaar die kenmerkend zijn voor roestend en dus uitzettend ijzer. Bij diverse zichtbare ankers is ook roest zichtbaar dat dit verschijnsel bevestigt. Doordat er geen sondering beschikbaar is kan er moeilijk een uitspraak worden gedaan over de gevoeligheid van het pand voor verkeerstrillingen. Dat deze in het pand voelbaar zijn is zeker. Dat er volgens zeggen van de heer [eiser 1] een sterk verschil is tussen voelbare trillingen als het verkeer over de ene of de andere rijstrook rijdt is vreemd, dat zou men niet verwachten. Conclusies en aanbevelingen. Het schadepatroon wijst niet duidelijk op trillingen als oorzaak, het feit dat de voorzetwanden vrijwel ongescheurd zijn ondersteunt dit. Schade door trillingen kan ook niet helemaal uitgesloten worden. Er is een aantal mogelijke bouwfysische oorzaken aan te wijzen voor de waargenomen schades. Reeds aanwezige scheuren zijn gevoelig voor verkeerstrillingen en ontstaan gemakkelijk opnieuw na een reparatie of worden groter. Indien meer zekerheid gewenst is over de invloed van de verkeerstrillingen dan kan een door een gespecialiseerd bedrijf begeleide trillingsmeting worden gedaan maar de uitslagen van zon onderzoek zijn ook niet zaligmakend, zeker niet in twijfelgevallen.” 2.17. In 2015 heeft Monumentenwacht de boerderij opnieuw geïnspecteerd en hiervan rapport uitgebracht. In het rapport is onder meer het volgende vermeld: “OPMERKINGEN BOUWKUNDIGE STAAT EN BEREIKBAARHEID Verspreid over het pleisterwerk is een grote hoeveelheid scheuren aanwezig als gevolg van een ongelijkmatige zetting in combinatie met roestend ijzerwerk (muurankers). Het is sterk aannemelijk dat enkele diepere scheuren in het pleisterwerk zich doorzetten in het achterliggende metselwerk. Ter plaatse van het vlechtwerk en ter hoogte van de tuitgevel volgt het scheurpatroon de richting van het voegwerk. Ondanks de aanwezigheid van het pleisterwerk kan bijna zeker worden gesteld dat deze scheurvorming onthecht metselwerk betreft. Om dit te kunnen beoordelen dient deconstructief onderzoek gedaan te worden door het pleisterwerk lokaal af te kappen. Enkele van de muurankers zijn niet zichtbaar vanuit de kapruimte. Het vermoeden is dat enkele ankers niet zijn verbonden aan de bijbehorende gordingen. Hierdoor kan de, al enigsinds [sic] overhellende, gevel onvoldoende zijn stabiliteit ontleden aan de achterliggende constructie. Hierdoor is mogelijk een deel van de horizontale scheurvorming in de topgevel is te verklaren. Doordat het pand ‘op staal is gefundeerd en niet is onderheid is een reeele aanname dat, als gevolg van een zware verkeersbelasting op zowel de naastgelegen A44 als over de [straatnaam] , de reeds aanwezige scheuren in de fundering en gevel actief ‘blijven werken’ en hierdoor zichtbaar blijven. Tevens is het pleisterwerk in het verleden afgewerkt met een, waarschijnlijk, dampdicht ver[f]systeem. Een dampdicht verfsysteem belemmert dat in het muurwerk aanwezig vocht (…) kan verdampen. Dit ‘opgesloten’ vocht kan ten tijden van vorstperioden bevriezen en uitzetten. Deze extra spanning op het muurwerk kan leiden tot het uit drukken van voegwerk en uit elkaar drukken/ onthechten van metselwerk. (…) UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN DOOR DE MONUMENTENWACHT Inspectie betrof een vervroegde reguliere inspectie in combinatie met een meetopname voor subsidieaanvraag voor BRIM 2015. Tijdens de inspectie is extra aandacht besteed aan opname van één specifieke schade: te weten scheurvorming in muurwerk dat mogelijk het gevolg is van trillingen van voorbijkomend (zwaar) verkeer. Door bovengenoemde zaken is de inspectieduur eenmalig verlengd in vergelijking met de standaard inspectieduur. ONDERHOUDSGESCHIEDENIS 2009-2013: Divers herstel aan kozijnen, gefaseerd schilderwerk, dakbedekking, waterborden en pleisterwerk. 2013-2015: Linker zijgevel dwarshuis, herstel van de kozijnen op de eerste verdieping, pleisterwerkherstel, gefaseerd schilderwerk.” 2.18. Bij e-mailbericht van 6 oktober 2015 hebben [eisers] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de kosten van herstel van de boerderij, begroot op € 23.513,50 exclusief BTW. Daarnaast hebben [eisers] gevraagd een wegversmalling ter hoogte van de boerderij aan te leggen en de maximumsnelheid op de [straatnaam] te verlagen naar 30 km/u. 2.19. Op 26 november 2015 heeft Architectenbureau Veldman Rietbroek Smit (hierna: VRS) in opdracht van [eisers] een bouwtechnische opname van de boerderij uitgevoerd. Hiervan is op 10 december 2015 rapport uitgebracht. Het hoofdstuk “conclusie” luidt, voor zover nu van belang, als volgt: “- De sondering van de overzijde van de straat geeft aan dat met uitzondering van de bovenste 80 cm. de bovenlaag zeer slap is. Vermoedelijk is de boerderij op deze eerste laag gefundeerd. (…) - De gevels vertonen veel scheuren. Een deel van de scheuren worden veroorzaakt door roestende gevelankers. Een deel van de scheuren zijn op archieffoto’s waargenomen. - Een deel van de scheuren zijn ontstaan rondom de openingen van de gevelkozijnen, maar lopen vrijwel allemaal naar een gevelanker. De openingen zijn in een gevel altijd de zwakke plekken. Het is erg moeilijk aan te geven of dat de scheuren zijn ontstaan als gevolg van roestend ijzer of dat de scheuren zijn ontstaan door de trillingen van het wegverkeer, waarbij de slanke verzwakte gevels scheuren naar de vaste punten (ankers) toe. De voorgevel is verzwakt en helt sterk naar voren. Dit was reeds het geval bij de opname in 1985. - Doordat de gevels op meerdere plekken gescheurd zijn bestaan de gevels letterlijk gezien uit losse onderdelen. Daarbij komt dat de opleggingen van de gordingen in de voorgevel aangetast zijn waardoor er geen verband meer is tussen de voorgevel en kapconstructie. Als gevolg van trillingen door het verkeer staan alle losse onderdelen te trillen. Dit komt het huis absoluut niet ten goede. - Het is zeer aannemelijk dat bij het slopen van het wegdek de schade is verergerd. Een bouwkundige rapport van het huis (en de belendingen) voor aanvang van de sloopwerkzaamheden van het wegdek is niet voorhanden. Geadviseerd wordt na te vragen bij de gemeente of voorafgaand aan de werkzaamheden een rapport is opgesteld door een (beëdigd) taxateur, makelaar of expertisebureau. Bij sloop- en verbouwingswerkzaamheden is het gebruikelijk dat een dergelijke opname wordt gedaan om mogelijke schadeclaims te kunnen beoordelen.” 2.20. In 2016 hebben [eisers] Fugro GeoServices B.V. (hierna: Fugro) ingeschakeld voor het verrichten van trillingsonderzoek. 2.21. Bij brief van 18 juli 2016 heeft Fugro een plan van aanpak opgesteld. Dat hield kort gezegd in het uitvoeren van grondonderzoek en trillingsmetingen en het plaatsen van een scherm in de grond tussen de voorgevel van de boerderij en de [straatnaam] om de trillingen te dempen (hierna: het trillingsscherm). 2.22. Op 21 juli 2016 hebben [eisers] een brief aan de Gemeente gestuurd om de verjaring van hun vordering tot schadevergoeding te stuiten. 2.23. Op 1 september 2016 heeft Fugro trillingsmetingen bij de boerderij uitgevoerd. Hierbij is ook een simulatie uitgevoerd van in 2.12 bedoelde sloopwerkzaamheden. Voor deze simulatie is met een hydraulische sloophamer aan een mobiele kraan een stuk beton gebroken. 2.24. Fugro heeft haar onderzoek uitgevoerd aan de hand van twee richtlijnen van de Stichting Bouw Research uit 2006, namelijk de richtlijn A “Schade aan gebouwen” (hierna: SBR A) en de richtlijn B “hinder voor personen in gebouwen” (hierna: SBR B). 2.25. De SBR richtlijnen behandelen de wijze waarop trillingsmetingen aan bouwwerken kunnen worden uitgevoerd en de wijze waarop de resultaten van de trillingsmetingen moeten worden verwerkt en beoordeeld. 2.26. De Leeswijzer van SBR A (versie 2017) vermeldt onder meer het volgende: “De richtlijn mag niet gebruikt worden als enig instrument om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen trillingen en schade aan een bouwwerk. Omdat veel verschillende factoren een rol spelen in het ontstaan van schade en bovendien tot een zelfde schadebeeld kunnen leiden, is onderzoek naar de invloed van deze factoren ook noodzakelijk. Alleen door de combinatie van alle factoren te bekijken, kan de mogelijke relevantie van de factor "trillingen" worden beoordeeld.” 2.27. In SBR A zijn grenswaarden opgenomen, die uitdrukking geven aan de ‘kans op schade’ door trillingen. Over die kans op schade is in SBR A (versie 2017), voor zover nu van belang, het volgende geschreven: “Kans op schade Bouwkundige schades aan een bouwwerk kunnen op verschillende wijzen ontstaan. Meerdere schademechanismen kunnen tot hetzelfde schadebeeld leiden. Voorbeelden van schademechanismen zijn overschrijding van de treksterkte, de buigtreksterkte of de druksterkte van een materiaal. Deze schademechanismen worden beïnvloed door verschillende factoren zoals de veroudering van materialen, vermoeiing, de invloed van vocht en temperatuur, verandering van belastingen door verbouwingen van het bouwwerk, veranderingen in de bodem onder het bouwwerk en ook door belastingen van buitenaf zoals trillingen. Gedurende de levensduur van een bouwwerk neemt de invloed van veel van deze factoren toe waardoor de kwaliteit van de constructie vermindert en de kans op schade aan het bouwwerk toeneemt. In oude bouwwerken is daarom vaak een vorm van bouwkundige schade te vinden. Oudere bouwwerken kunnen als gevolg van de invloed van tijd en veroudering van materialen kwetsbaarder zijn dan nieuwere bouwwerken en kunnen daardoor minder goed tegen trillingen. De grenswaarden in de oorspronkelijke richtlijn zijn vastgesteld op basis van praktijkervaring en literatuuronderzoek. Dit betekent dat als de trillingsbelasting onder de grenswaarde blijft, in de meeste gevallen schade ten gevolge van trillingen (constructief of niet-constructief) zal worden voorkomen. Maar doordat veel schademechanismen en factoren een rol kunnen spelen, vaak zelfs gelijktijdig, blijft er altijd een kans op schade bestaan ook als de trillingsbelasting lager is dan de grenswaarden. Daarvan vindt de commissie dat deze kans behoort tot het normaal maatschappelijk risico. Overschrijding van de grenswaarden leidt tot een toename van de kans op schade die naar mening van de commissie niet gewenst is.” 2.28. Over het onderscheid tussen de diverse soorten schade aan gebouwen vermeldt SBR A (versie 2017) het volgende: “Schade Hoewel het vaststellen van de oorzaak van schade geen onderwerp in de richtlijn is, is het wel van belang dat inzicht bestaat in de begrippen schade en de onderverdeling in de categorieën constructief en niet-constructief. Deze begrippen kunnen helpen bij de afweging van het risico op schade bij overschrijding van de grenswaarden. Schade aan een bouwwerk kan de veiligheid en/of levensduur van het bouwwerk beïnvloeden of leiden tot een vermindering van de gebruikswaarde of de economische waarde van het bouwwerk. Onder schade aan een bouwwerk wordt een verandering van de eigenschappen of van de positie van (een onderdeel van) een bouwwerk verstaan, met één of meer van de volgende gevolgen: a. een verlies van functie, zoals het bezwijken van dragende onderdelen waardoor mogelijk de constructieve veiligheid in het geding komt; b. een vermindering van de integriteit van het onderdeel of van het bouwwerk als geheel met betrekking tot zijn dragende functie, waarbij sprake is van een significante vermindering van de veiligheid op de korte of langere termijn (vermindering van de verwachte levensduur); c. het bezwijken van onderdelen van het bouwwerk die weliswaar niet tot de draagconstructie behoren (zoals niet dragende scheidingswanden, plafonds, ornamenten en dergelijke), maar waarvan het bezwijken de veiligheid van personen die zich in of nabij het bouwwerk bevinden, in gevaar kan brengen; d. een vermindering van de economische waarde of van de gebruikswaarde, zoals bij scheurvorming in metselwerk, bekledingen van constructiedelen, afwerklagen of betegeling zonder dat daarbij de veiligheid van personen die zich in of nabij het bouwwerk bevinden, in gevaar komt. De schadevormen a, b en c hebben invloed op de (constructieve) veiligheid van het gebouw en zijn daarom te beschouwen als constructieve schade. De schadevorm d heeft geen betrekking op de constructieve veiligheid maar op een verstoring van het aanzicht van het betreffende onderdeel van het gebouw en wordt daarom gezien als niet-constructieve schade. Het vergroten van een bestaande schade valt ook aan te merken als schade. Om een oorzakelijk verband tussen de vergroting van de schade en de trillingsbelasting vast te leggen, is enkel het vaststellen van een overschrijding van de grenswaarden niet voldoende. Bij de analyse van de oorzaak tot de vergroting van deze schade, dienen naast trillingen ook de andere schadefactoren te worden beschouwd. Als de trillingsbelasting lager is dan de grenswaarde, dan is de kans op constructieve schade nihil en de kans op niet-constructieve schade acceptabel klein. Trillingen in combinatie met een andere schadefactor kunnen er voor zorgen dat bij een trillingsbelasting rond de grenswaarde in een enkel geval toch niet-constructieve schade ontstaat of bestaande schade wordt vergroot.” 2.29. SBR B maakt gebruikt van het begrip ‘streefwaarde’, dat als volgt is gedefinieerd: “de waarde voor de trillingssterkte waarbij verwacht wordt dat er nog geen trillingshinder optreedt.” SBR B kent drie streefwaarden: A1, A2 en A3. 2.30. Fugro heeft haar bevindingen neergelegd in twee rapporten, namelijk het rapport over de trillingsmetingen van 12 december 2016 (hierna: Fugro I) en het rapport over de reducerende maatregelen van 17 maart 2017 (Fugro II). 2.31. In Fugro I is in het hoofdstuk “samenvatting en conclusies” onder meer het volgende geschreven: “Toetsingskader Conform SBR richtlijn A zijn de panden ingedeeld in categorie 3 (monumentale status). De grenswaarde aan de draagconstructie bedraagt bij passages van verkeer voor een categorie 3 object 1,3 mm/s (frequentie 0 tot 10 Hz). Voor de panden geldt eveneens een grenswaarde voor een trillingsgevoelige fundering (10,6 mm/s (frequentie 15 Hz)). Deze is niet maatgevend. Conform SBR richtlijn B zijn de streefwaarden voor hinder bij de functie “wonen” bepaald op A1 = 0,2, A2 = 0,8 en A3 =0,1 (dag- en avondperiode). In de nachtperiode zijn A1 en A3 hetzelfde en bedraagt A2 0,4. De streefwaarden zijn dimensieloos. Verwacht mag worden dat indien de trillingsintensiteiten aan de gevel lager zijn dan de grenswaarde, de kans op constructieve schade aan de draagconstructie aanvaardbaar klein is. Ook mag worden verwacht dat indien de trillingsintensiteiten op de vloer lager zijn dan de streefwaarden voor hinderbeleving, in de meeste situaties geen hinder voor personen zal optreden. Hiaat SBR richtlijnen De SBR richtlijnen doen geen uitspraak bij trillingsintensiteiten die net hoger zijn dan de gestelde grenswaarde en / of die veelvuldig voorkomen gedurende langere tijd (maanden tot jaren). Er is sprake van cosmetische schade die uiteindelijk tot constructieve schade kan leiden. Vanuit de praktijk is bekend dat schade (scheurvorming in metselwerk) ontstaat bij panden die een langdurige trillingsbelasting (hebben) ondergaan. De schade treedt eerder op bij panden gefundeerd op staal dan bij panden gefundeerd op palen. Momenteel (2016-2018) wordt door de SBR / CUR gewerkt aan een update van de SBR-A trillingsrichtlijnen, waarin het voorgenoemde een invulling zal krijgen. Meetresultaten Voor de beoordeling op schade (SBR A) en hinderbeleving (SBR B) zijn de meetresultaten aan de gevel en op vloeren van belang. De gemeten trillingsintensiteit aan de gevel bedragen: • Pand [straatnaam] [nr. X] MP 4 0,6 mm/s tot 0,75 mm/s (freq. 7,5 tot 17,5 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. Y] MP 10 0,7 mm/s tot 0,80 mm/s (freq. 5 tot 15 Hz); De gemeten trillingsintensiteit op de vloeren bedragen: • Pand [straatnaam] [nr. X] MP 5 2,1 mm/s tot 3,8 mm/s (freq. 5 tot 17,5 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. X] MP 6 0,2 mm/s tot 0,26 mm/s (freq. 5 tot 17,5 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. X] MP 7 0,55 mm/s tot 0,75 mm/s (freq. 5 tot 15 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. Y] MP 11 0,85 mm/s tot 1,15 mm/s (freq. 7,5 tot 15 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. Y] MP 12 0,55 mm/s tot 0,75 mm/s (freq. 5 tot 10 Hz); • Pand [straatnaam] [nr. Y] MP 13 0,45 mm/s tot 0,55 mm/s (freq. 5 tot 15 Hz); De gemeten trillingsintensiteit bij nr [nr. X] bij breken van de betonpaal: • Gevel: MP 4 7,5 mm/s tot 9,5 mm/s (freq. circa 7,5 Hz); • Binnen le verdieping voorkamer MP 5 8,5 mm/s tot 10,5 mm/s (freq. circa 7,5 Hz); • Binnen b.g. achterkamer MP 6 0,65 mm/s tot 0,8 mm/s (freq. circa 7,5 Hz); • Binnen, b.g. gang MP 7 0,7 mm/s tot 0,8 mm/s (freq. 5 tot 12,5 Hz); (…) Conclusies: De meetresultaten (van de gevel meetpunten) zijn beoordeeld (en getoetst) aan de grenswaarde conform SBR - richtlijn A “Schade aan bouwwerken”. De meetresultaten (van de vloermeetpunten) zijn beoordeeld (en getoetst) aan de streefwaarden conform SBR - richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen”. Voor beide panden wordt het volgende geconcludeerd: T.a.v. SBR A Door passerend verkeer wordt de grenswaarden aan de draagconstructie en voor trillingsgevoelige funderingen niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat het risico op schade door passerend (vracht)verkeer aanvaardbaar klein is. Bij het breken van de betonpaal (simulatie opbreken wegconstructie) wordt de grenswaarde wel overschreden. Het risico op schade is in dat geval niet aanvaardbaar klein. SBR A geeft geen uitsluitsel met betrekking tot beoordeling van door passerend verkeer opgelegde trillingsintensiteiten onder de grenswaarde die gedurende een lange periode als belasting op de draagconstructie aanwezig is. Vanuit de praktijk is bekend dat na verloop van tijd schade ontstaat (scheurvorming). T.a.v. SBR B Streefwaarde A1 wordt veelvuldig (…) overschreden. Bij passages van vrachtauto’s wordt vooral streefwaarde A2 overschreden. Bij andere passages wordt niet de streefwaarde A2 maar wel de streefwaarde A3 overschreden. Geconcludeerd wordt dat bij beide panden hinderbeleving conform SBR B aanwezig is. Qua perceptie (tabel 3.3) worden de trillingen als “hinder” omschreven. De trillingen zijn zeer goed voelbaar. Opmerkingen hinderbeleving: De verkeersintensiteit (aantal herhalingen van de passages) is in veel gevallen maatgevend voor de beleving van hinder. Bij passage van één enkel voertuig (met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.