vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/573037 / HA ZA 19-457 Vonnis van 15 december 2021 in de zaak van COÖPERATIE VGZ U.A. te Arnhem, eiseres, advocaat mr. H.J. Arnold te Den Haag, tegen 1STICHTING WELZORG BRABANT te Delft, gedaagde, niet verschenen, 2 [de bewindvoerder] te [plaats] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde sub 2] , gedaagde, niet verschenen, 3 [gedaagde sub 3] , [land] , gedaagde, advocaat mr. A. Neophitou te Oss. Partijen zullen hierna achtereenvolgens VGZ, Welzorg Brabant, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. 1Waar gaat deze zaak over? 1.1. [gedaagde sub 3] , één van de gedaagden in deze procedure, is gedurende een aantal jaren actief geweest als indirect statutair bestuurder, dan wel feitelijk bestuurder van verschillende aanbieders van specialistische geestelijke gezondheidszorg (hierna: specialistische GGZ). Eén van deze zorgaanbieders is Welzorg Brabant. Deze aanbieders declareerden behandelingen bij zorgverzekeraars, waaronder bij VGZ. Op enig moment is VGZ vragen gaan stellen over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de gedeclareerde behandelingen. Zij heeft de instellingen gevraagd mee te werken aan controles die daarop betrekking hadden, maar de instellingen hebben hun medewerking niet, of niet volledig, verleend. 1.2. In deze procedure stelde VGZ zich aanvankelijk op het standpunt dat de zaak betrekking had op “grootschalige fraude binnen de specialistische GGZ”, waarbij [gedaagde sub 3] “het kwade genius achter deze fraude is geweest”. Op die grond vorderde VGZ in dertien verschillende dagvaardingen dat zorginstellingen, [gedaagde sub 3] , statutair bestuurders van die instellingen, behandelend psychiaters en individuele verzekerden zouden worden veroordeeld tot terugbetaling van alle declaraties die zij aan de verschillende instellingen heeft vergoed. Gedurende de procedures heeft VGZ overeenstemming bereikt met de gedagvaarde psychiaters en verzekerden. Tijdens de zitting heeft VGZ de grondslag van haar vordering ingrijpend gewijzigd. VGZ gaf te kennen dat het haar niet langer te doen was om mogelijke fraude, maar dat zij haar vordering baseert op het feit dat de instellingen en hun bestuurders ten onrechte niet hebben meegewerkt aan de controles die zij wilde uitvoeren. Ook heeft zij ter zitting nog wat andere (naar de rechtbank begrijpt: ondergeschikte) verwijten geformuleerd. 1.3. Ook als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat Welzorg Brabant ten onrechte haar medewerking heeft geweigerd aan het door VGZ aangekondigde fraudeonderzoek, is de rechtbank van oordeel dat VGZ onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat [gedaagde sub 3] als feitelijk bestuurder van Welzorg Brabant persoonlijk een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Ook de andere verwijten die VGZ [gedaagde sub 3] maakt, vindt de rechtbank niet terecht. De vorderingen van VGZ op [gedaagde sub 3] worden daarom afgewezen. Omdat Welzorg Brabant en [gedaagde sub 2] verstek hebben laten gaan, worden de vorderingen op hen wel toegewezen. 1.4. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. De uitgebrachte dagvaardingen in de verschillende zaken zijn grotendeels identiek. De dagvaardingen bevatten ruim 25 bladzijden aan feiten, waarna in drie bladzijden het onrechtmatig handelen van alle gedaagden samen wordt behandeld. Bij de verwijten wordt geen onderscheid gemaakt tussen de instellingen en de bestuurders. VGZ heeft in de formulering van de verwijten het woord “(laten)” toegevoegd, zodat de door haar geformuleerde verwijten op zowel de instellingen als de bestuurders zien. In de verschillende zaken is ook één conclusie van antwoord genomen. Dit maakt het voor de rechtbank lastig om te beoordelen welke verwijten VGZ de verschillende gedaagden in de afzonderlijke zaken precies maakt, en wat vervolgens het verweer van die gedaagden in de verschillende zaken is. Daar komt nog bij dat VGZ ter zitting de grondslag van haar vorderingen ingrijpend heeft gewijzigd, wat niet heeft bijgedragen aan de overzichtelijkheid van deze zaken. 1.5. Dit vonnis is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 vat de rechtbank het procesverloop samen. In hoofdstuk 3 staan de relevante feiten, waarna de rechtbank in hoofdstuk 4 de vordering weergeeft. De beoordeling van de vordering staat in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 staat de beslissing van de rechtbank. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen van 1 februari 2019 en 4 februari 2019, de akte overlegging producties van VGZ met producties 1 tot en met 91, de rolbeslissing van 29 mei 2019 waarbij tien door VGZ aangebrachte zaken zijn gevoegd, de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens conclusie in het incident tot voeging, met producties 1 tot en met 50, het tussenvonnis van 4 mei 2021, waarin een comparitie van partijen is bepaald, de akte overlegging producties van VGZ met producties 92 tot en met 97, de akte overlegging producties van [gedaagde sub 3] met producties 51 tot en met 64, de akte overlegging producties van [gedaagde sub 3] met producties 65 en 66, het proces-verbaal van comparitie van 25 juni 2021. 2.2. Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. [gedaagde sub 3] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 10 augustus 2021 en VGZ bij brief van 13 augustus 2021. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de opmerkingen van partijen. 2.3. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 3De feiten Partijen en hun relatie 3.1. Welzorg Brabant is opgericht op 30 september 2014 en heeft volgens haar omschrijving bij de Kamer van Koophandel als activiteit het “verlenen van zorg welke onder de zorgverzekeringswet en de AWBZ valt”. Welzorg Brabant heeft op 10 december 2014 een toelating verkregen voor het verlenen van medisch specialistische zorg. 3.2. [gedaagde sub 2] was tussen 30 september 2014 en 4 oktober 2017 de statutair bestuurder van Welzorg Brabant. [gedaagde sub 3] was de feitelijk bestuurder van Welzorg Brabant. 3.3. VGZ is een zorgverzekeraar als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Zij vergoedt verzekerde zorg die haar verzekerden hebben genoten. 3.4. Welzorg Brabant heeft voor verzekerden van VGZ zorg gedeclareerd, behorende tot de specialistische GGZ. VGZ heeft deze zorg (deels) aan Welzorg Brabant vergoed. Fraudeonderzoek bij andere zorginstellingen 3.5. Op 25 en 29 oktober 2013 heeft Zorgverzekeraars Nederland twee anonieme meldingen ontvangen over fraude binnen verschillende zorginstellingen, waarvan [gedaagde sub 3] de feitelijk bestuurder was. Op 17 juni 2014 ontving VGZ een melding van andere zorgverzekeraars over fraude door [gedaagde sub 3] . Op 27 juni 2014 heeft VGZ zelf een anonieme melding ontvangen van een oud werkneemster van één van de zorginstellingen van [gedaagde sub 3] . Ook deze oud werkneemster maakt melding van frauduleuze praktijken. 3.6. Daarop heeft VGZ bij onderzoek van de eigen databanken ontdekt dat er een aanzienlijke groep verzekerden was, die bij meerdere zorginstellingen door dezelfde psychiaters werd behandeld. Ook waren er verzekerden waarvoor specialistische GGZ-zorg was gedeclareerd, die bestuurder van andere zorginstellingen bleken te zijn of die in dienst waren of waren geweest van andere zorginstellingen. 3.7. Vervolgens ontving VGZ een fraudemelding van een oud-werkneemster van Mihan, een andere door [gedaagde sub 3] gedreven zorginstelling. 3.8. Op 27 november 2014 declareerde Medisch Centrum Nederland (hierna: MCN), eveneens een zorginstelling van [gedaagde sub 3] , een bedrag van € 74.699,30 voor zorg die aan [gedaagde sub 3] zelf zou zijn verleend. De gedeclareerde behandeling betrof een opname wegens psychiatrische aandoening in de periode tussen 27 mei tot 27 november 2014. VGZ heeft deze declaratie niet aan MCN vergoed. 3.9. Daarop is VGZ een fraudeonderzoek gestart bij MCN, Mihan en Medisch Centrum Eindhoven (hierna: MCE). 3.10. De dossiercontrole bij MCN, Mihan en MCE heeft op 25 november 2015 plaatsgevonden. In het algemene verslag van de dossiercontrole heeft VGZ onder andere het volgende opgetekend: “Het gaat wederom om papieren dossiers, terwijl we op 11 november hebben aangegeven dat het beoordelen op papier niet wenselijk is. De toenmalige status van de papieren dossiers was niet toereikend om een goede beoordeling te kunnen maken en daardoor was de datum verzet naar vandaag. Nu dus wederom papieren dossiers die er – zo op het oog – erg gelikt uitzien; Er is geen mogelijkheid om in het computersysteem (Medicore) te kijken; Bij Medisch Centrum Nederland zouden er nog een 2-tal verzekerden zijn die een vernietigingsverzoek hebben ingediend: […]; Bij navraag waarom dit niet eerder bekend is gemaakt antwoord Neophitou [de advocaat van de instellingen en de bestuurders, toevoeging rechtbank] dat mevrouw [gedaagde sub 3] niet zo goed is met haar administratie; In de eerste twee dossiers van Mihan lijkt het erop dat er geknipt en geplakt is: er wordt gesproken over “zijn” aangaande een vrouwelijke verzekerde en over een Turkse achtergrond bij een Afghaanse/Iraanse verzekerde; Er wordt veelvuldig door […] gevraagd of we ook in Medicore kunnen kijken, er wordt gekeken of dit kan; Ondanks ons aangeven van 11 november 2015 kunnen we alleen in papieren dossiers kijken die niet volledig zijn; De heer Neophitou loopt steeds in en uit en levert nieuwe informatie zoals de 3 vernietigingsverzoeken en een verslaglegging in een ander dossier. Vreemd; (…) EINDOORDEEL: Ook al wordt door Alexander Neophitou volledige medewerking geveinsd, dit wordt niet herkend door: I. Alleen papieren dossiers klaar te hebben; II. Vernietigingsverzoeken die ineens opduiken; III. Verslagen die ineens worden uitgeprint; IV. Mevrouw [gedaagde sub 3] die er elke keer niet bij is; V. De toegang tot het computersysteem wordt ons telkens ontzegd; VI. Niet complete papieren dossiers klaar te hebben; VII. Dossiers waarover besloten was dat we deze zouden controleren achter te houden op de controle dag (mogelijk op advies mevrouw [gedaagde sub 3] ); VIII. Een maatschappelijk werkster aanwezig te laten zijn […] die niet in de systemen mag, niet kan uitleggen waarom iets zo geschreven staat en die het alleen maar heeft over tevreden klanten.” 3.11. Op 12 mei 2016 heeft VGZ ook een detailcontrole uitgevoerd bij de aan [gedaagde sub 3] gelieerde zorginstelling GGZ Allen. VGZ heeft daarbij geconstateerd dat de gedeclareerde zorg niet voldeed aan de daarvoor geldende professionele standaard. Aanleiding voor fraudeonderzoek bij Welzorg Brabant 3.12. Bij onderzoek in haar eigen systemen viel het VGZ eind 2015 op dat er bij Welzorg Brabant veelvuldig patiënten werden behandeld uit andere regio’s. Ook bemerkte zij dat Welzorg Brabant zorg had gedeclareerd die eerst door Stichting International Healthcare Center (SIHC) was gedeclareerd en door VGZ was afgewezen. SIHC wordt eveneens door [gedaagde sub 3] bestuurd. Ook viel het VGZ op dat Welzorg Brabant veelvuldig declareerde voor deelprestatie verblijf in de categorieën C, D en E (dat betreft de klinische opname van patiënten met een matige, gemiddelde of intensieve verzorgingsgraad). Tot slot bemerkte VGZ dat er feitelijk zorg werd verleend door Medisch Psychiatrisch Centrum Haaglanden (MPCH). Naar MPCH liep reeds een fraudeonderzoek. 3.13. Daarop is VGZ ook bij Welzorg Brabant een fraudeonderzoek gestart. Fraudeonderzoek 3.14. Bij brief van 10 juni 2016 heeft VGZ aan Welzorg Brabant nadere informatie gevraagd over tien verzekerden voor wie Welzorg Brabant zorg had gedeclareerd (zoals een kopie van de verwijzing van de huisarts, de data waarop de behandelingen hadden plaatsgevonden en de naam van de hoofdbehandelaar). Welzorg Brabant heeft niet aan dit verzoek voldaan. 3.15. Bij brief van 20 januari 2017 heeft VGZ [gedaagde sub 3] als feitelijk bestuurder gevraagd om mee te werken aan de dossiercontrole. Op 16 februari 2017 heeft VGZ een herinnering gestuurd. Ook [gedaagde sub 3] heeft niet voldaan aan het verzoek van VGZ. Wel heeft mr. Neophitou namens een aantal andere door [gedaagde sub 3] gedreven zorginstellingen VGZ op 14 februari 2017 geschreven dat de patiëntendossiers niet langer beschikbaar waren, omdat deze door MPCH (die de zorg in onderaanneming had verleend, zie hierna onder 3.21 tot en met 3.24) waren opgeslagen in Medicore, maar Medicore de toegang in verband met het faillissement van MPCH had geblokkeerd. 3.16. VGZ heeft bij brieven van 13 en 16 juni 2017 aan haar verzekerden, voor wie door Welzorg Brabant zorg was gedeclareerd die VGZ had uitgekeerd, verzocht om toestemming voor het opvragen van informatie bij de behandelend arts. VGZ heeft de verzekerden die nog niet hadden gereageerd, op 11 juli 2017 en 30 november 2017 een herinneringsbrief gestuurd. 3.17. Van een aantal verzekerden heeft VGZ een toestemmingsverklaring ontvangen. Enkele andere verzekerden hebben niet gereageerd op het verzoek van VGZ. 3.18. VGZ heeft de ontvangen toestemmingsverklaringen op 11 januari 2018 aan Welzorg Brabant gezonden met het verzoek om vragen te beantwoorden en stukken aan te leveren over de behandeling. Op 15 maart 2018 heeft VGZ een herinnering gestuurd. Welzorg Brabant heeft niet aan de verzoeken van VGZ voldaan. 3.19. Bij brief van 20 juni 2018 heeft VGZ aan Welzorg Brabant bericht dat de gedeclareerde nota’s voor een bedrag van € 55.254,39 werden afgewezen, omdat de betrokken verzekerden geen medewerking hadden verleend aan het onderzoek. VGZ heeft Welzorg Brabant gesommeerd om dit bedrag aan haar terug te betalen. 3.20. Op dezelfde datum heeft VGZ aan Welzorg Brabant bericht dat de gedeclareerde nota’s voor een bedrag van € 723.336,26 werden afgewezen, omdat Welzorg Brabant geen medewerking had verleend aan het onderzoek. VGZ heeft Welzorg Brabant gesommeerd om ook dit bedrag aan haar terug te betalen. Medisch Psychiatrisch Centrum Haaglanden 3.21. Veel van de patiënten waarvoor zorg is gedeclareerd door de zorginstellingen van [gedaagde sub 3] (waaronder Welzorg Brabant), werden behandeld door psychiaters [psychiater 1] en [psychiater 2] . Beide psychiaters waren in dienst van MPCH. 3.22. Mr. Neophitou heeft namens de diverse zorginstellingen de gehanteerde constructie in een brief aan VGZ van 14 februari 2017 als volgt omschreven: “Zoals u destijds reeds te kennen is gegeven, heeft mevrouw [gedaagde sub 3] gelet op haar negatieve ervaringen met zorgverzekeraars die weigeren te betalen voor geleverde zorg en betalingen opschorten in afwachting van resultaten van materiële controles die jonge instellingen met weinig financiële middelen op die manier zwaar onder druk zetten, een groot aantal stichtingen en BV’s opgericht in het kader van risicospreiding. Als de dossiers van patiënten van één WTZI instelling zodoende werden onderzocht, betekende dit niet dat de betaling van alle door MPC Haaglanden gevoerde dossiers direct stil werden gelegd, zodat zij niet meer in staat was haar verplichtingen jegens haar personeel na te komen en de behandelingen van patiënten met zware geestelijke problematiek daarmee abrupt tot een einde kwam die op de zorg van MPC Haaglanden waren aangewezen. De patiënten contracteerden met deze diverse WTZI toegelaten instellingen en de feitelijke zorg werd verleend in onderaanneming door MPC Haaglanden bij wie het gekwalificeerde personeel in dienst was.” Daarbij heeft mr. Neophitou duidelijk gemaakt dat (onder andere) de instellingen Welzorg Brabant, MCN, SIHC, Fit en Vitaal B.V., Stichting Healthcare Europe en MCE zorg hebben gedeclareerd die (in onderaanneming) is verleend door MPCH. 3.23. MPCH is op 26 januari 2016 failliet verklaard. 3.24. In overleg met de curator van MPCH heeft VGZ op 13 februari 2017 zeventien dossiers van MPCH gecontroleerd via het digitale systeem Medicore. VGZ heeft over haar bevindingen het volgende genoteerd: “ 1. Geen verwijsbrieven, verslaglegging, intakeverslagen, psych. onderzoeksverslagen aanwezig in geen van de dossiers; 2. Diagnoses wisselen per zorgtraject bij alle dossiers zonder onderbouwing waarom of inhoudelijke verandering in dossiers in bijv. behandelplan; 3. (…); 4. Gedeclareerde DBC’s en beschreven zorgtrajecten komen niet overeen qua data; 5. Er is geen enkele onderbouwing van medische noodzaak tot opname te vinden bij de dossiers waar deelprestaties zijn gedeclareerd. Ook is er in geen enkel dossier aantoonbaar klinische zorg geleverd; 6. Tabblad formulieren geheel leeg bij alle dossiers dus geen inzage gehad in bijv. verwijsbrieven, ontslagbrieven, etc.: 7. Tabblad behandelingen geheel leeg zie bijv. cliënt […]; 8. DBC’s lijken te worden opgeknipt en niet 365 dagen open te staan. Er is bij elk dossier behandeling voor de startdatum geleverd en na de einddatum dbc ook.; 9. 2 cliënten konden we niet vinden in Medicore: […]; 10. Clientgegevens zijn gevuld, achtergrondgegevens niet; 11. Huisartsgegevens zijn gevuld maar geen verwijsbrieven te vinden in Medicore; 12. In afspraken lijkt soms sprake van verzekerde zorg maar geen verslaglegging te vinden in Medicore of gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk is geleverd, en daarmee dus niet aantoonbaar geleverd; 13. Geschreven minuten komen niet overeen met gedeclareerde minuten in alle dossiers; 14. Diagnoses wisselen per zorgtraject bij alle dossiers 15. Diverse andere instelling benoemd bij zorgtrajecten 16. Behandelingen lijken soms in Turkije plaats te vinden, individueel geen enkele onderbouwing van medische noodzaak tot opname te vinden bij de dossiers waar deelprestaties zijn gedeclareerd. 17. DBC’s lijken te worden opgeknipt en niet 365 dagen open te staan. 18. In geen van de dossiers zijn aanwijzingen gevonden dat er sprake is van aantoonbaar geleverde behandeling in het kader van de ZVW.” Fraudeonderzoek: vervolg 3.25. Welzorg Brabant heeft naar aanleiding van de brieven van 20 juni 2018 op 14 november 2018 aan VGZ bericht dat zij weliswaar wilde meewerken aan een proportionele controle, maar dat zij – omdat de patiënten feitelijk werden behandeld door MPCH – zelf niet beschikte over de patiëntendossiers. Deze dossiers bevonden zich onder MPCH, maar door het faillissement van MPCH was er geen toegang meer tot Medicore en konden dus de elektronische patiëntendossiers niet worden benaderd. Welzorg Brabant heeft daarnaast benadrukt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend en dat zij – ook als de dossiers niet volledig zouden zijn bijgehouden – recht heeft op vergoeding van de behandelingen. Zij heeft VGZ verzocht te bevestigen dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. 3.26. Nader overleg tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid. 4Het geschil 4.1. VGZ vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van Welzorg Brabant, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot betaling van € 778.590,65, te vermeerderen met de wettelijke rente, de onderzoekskosten van € 5.000 en de proceskosten. 4.2. VGZ legt aan haar vordering het volgende ten grondslag:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.