← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:14101

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11536 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1981, van Russische nationaliteit, verzoeker V-nummer: [#] (gemachtigde: mr.M. L. Hoogendoorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 25 november 2020 heeft verzoeker een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet. Op 16 juli 2021 heeft verzoeker beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Verweerder heeft alsnog op de aanvraag beslist. Het beroep is op 20 augustus 2021 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. Verweerder heeft op 22 juli 2021 en op 2 september 2021 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd. Verzoeker heeft op 18 augustus 2021 gereageerd op het bij brief van 22 juli 2021 door verweerder gestelde. Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
  3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken nadat verweerder alsnog een besluit heeft genomen. Verzoeker heeft tegelijk met de intrekking van het beroep verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  4. De rechtbank merkt het onderhavige beroep aan als een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb.
  5. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
  6. De rechtbank stelt vast dat verzoeker verweerder voorafgaand aan het beroep van 16 juli 2021, op 25 mei 2021, in gebreke heeft gesteld tijdig op zijn asiel aanvraag te beslissen.
  7. Verweerders stelling dat de ingebrekestelling van 25 mei 2021 prematuur is ingediend gelet op de Twodi zoals die luidde per 11 juli 2020, volgt de rechtbank niet. Gelet op de datum van het ingestelde beroep is bepalend de Tijdelijke wet zoals die geldt per 11 juli 2021 en waarbij alleen de artikelen 4:7 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a en artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn verklaard op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  8. Gelet hierop en gelet op het feit dat verweerder niet heeft bestreden dat te laat op de aanvraag is beslist, zou het beroep gegrond zijn verklaard, indien verzoeker dit beroep niet had ingetrokken. Het verzoek om een proceskostenveroordeling zal daarom worden toegewezen.
  9. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Bpb € 374,- in verband met het indienen van het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht voor het beroep niet tijdig beslissen). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 374,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.